De beroepsinstantie van de Vlaamse Overheid voor openbaarheid van bestuur oordeelt dat zowel het Havenbedrijf Antwerpen als Flanders Investment & Trade informatie over de toekomstige plasticfabriek van Ineos moet overmaken aan milieuorganisatie Recycling Netwerk behalve als ze kunnen bewijzen dat er een wettelijke uitzonderingsgrond is.
Recycling Netwerk Benelux richtte op 15 februari 2019 een verzoek aan Flanders Investment & Trade en aan Havenbedrijf Antwerpen om afschriften te krijgen van alle informatie die ze over de ontwikkeling van de nieuwe plasticfabriek in de haven van Antwerpen in hun bezit hebben. De milieuorganisatie wil daarmee zicht krijgen op de milieuproblemen die door de nieuwe fabriek kunnen ontstaan.
Het Havenbedrijf Antwerpen (HA) weigerde op 8 maart om de afschriften aan Recycling Netwerk te geven en beriep zich daarbij op het economische, financieel en commercieel belang van het HA, maar ook op het vertrouwelijk karakter van de commerciële en industriële informatie ter vrijwaring van een gelegitimeerd economisch belang (van Ineos).
Flanders Investment & Trade (FIT) weigerde op 4 maart om deze afschriften te verlenen. FIT beriep zich op twee argumenten, namelijk 1) dat Recycling Netwerk Benelux niet de Belgische nationaliteit heeft en 2) dat het verzoek van Recycling Netwerk om informatie te ruim geformuleerd zou zijn waardoor dit volgens FIT “gepaard zou gaan met inspanningen die de grenzen van het redelijke manifest overschrijden”.
Recycling Netwerk heeft tegen beide beslissingen beroep aangetekend en de beroepsinstantie heeft zich daarover inmiddels gebogen.
Lees ook: The Guardian, Ineos may have to disclose secret details of £2.6bn Antwerp project, 3 mei 2019
De beroepsinstantie van de Vlaamse overheid besliste op 23 april over het beroep. Uit de tekst van het besluit blijkt dat het Havenbedrijf enkele documenten heeft aangeleverd bij de beroepsinstantie. Die oordeelde daarop dat die documenten inderdaad informatie bevatten die legitiem uitgezonderd kunnen worden van het recht op openbaarheid.
Maar uit het besluit van de beroepsinstantie blijkt ook dat er ongeveer 500 documenten zijn waarvan onduidelijk is of de toegang daartoe rechtmatig ontzegd is. Het Havenbedrijf zal die documenten op verzoek van Recycling Netwerk moeten aanleveren, tenzij ze alsnog kan bewijzen dat die documenten op legitieme gronden kunnen worden uitgezonderd.
De beroepsinstantie van de Vlaamse Overheid oordeelde op 24 april dat de argumentatie van FIT geen steek houdt. Het Bestuursdecreet bepaalt immers dat beleidsdocumenten moeten worden overgemaakt aan “iedereen” die daarom verzoekt, ongeacht nationaliteit. De beroepsinstantie refereert daarvoor zelfs naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. FIT heeft verder niet hard weten te maken dat het verzoek van Recycling Netwerk te ruim geformuleerd zou zijn.
Uit het besluit van de Beroepsinstantie blijkt ook dat FIT weigerde om de Beroepsinstantie zelf inzage te geven in de betrokken bestuursdocumenten. Het FIT was slechts bereid om één document, de business proposal, aan de Beroepsinstantie te tonen. Dat document bevat informatie over steunmaatregelen (subsidies, financiering, fiscaliteit) die Ineos kan verwachten als de bouwplannen in de haven van Antwerpen doorgaan.
Gezien de aard van dit document, waarbij het onder meer gaat over de besteding van publieke gelden, is het belangrijk dat er transparantie is, juist ook omdat het gaat over een grote investering met een potentieel grote negatieve impact op de Vlaamse leefomgeving en de Vlaamse economie. De beroepsinstantie oordeelde echter dat het omwille van concurrentiële redenen niet moet vrijgegeven worden.
Maar het beroep van milieuorganisatie Recycling Netwerk is door de beroepsinstantie wel degelijk gegrond bevonden voor alle andere informatie. FIT moet die informatie dus overmaken, behalve als het kan aantonen dat een document onder een uitzonderingsgrond valt.
Uit het Besluit blijkt ook dat FIT op een vreemde manier omspringt met het recht op openbaarheid. Zo stelde FIT in een vergadering met de Beroepsinstantie dat (p. 6 van 9):
Hiermee zegt FIT eigenlijk dat, omdat het een potentieel vervuilende industrie betreft, ze van plan zijn om zo weinig mogelijk transparantie te verlenen. Van een overheidsdienst in de 21ste eeuw, in volle klimaatcrisis, verwachten we precies het omgekeerde.
Ook de volgende passage roept sterke twijfels op over de manier waarop FIT omspringt met de regelgeving:
Samengevat: hoe groter de investering, des te minder zwaarwegend transparantie moet zijn, volgens FIT.
Gesterkt door de uitspraak van de beroepsinstantie zal Recycling Netwerk blijven vragen aan Havenbedrijf Antwerpen en FIT om alle informatie over de beslissingsprocedure vrij te geven. “De bal ligt dus opnieuw in het kamp van FIT en het Havenbedrijf van Antwerpen. De beroepsinstantie maakt hen duidelijk dat ze in principe afschriften van alle informatie moeten verlenen. En als ze dat niet doen, moeten ze aantonen waarom ze een uitzondering inroepen”, analyseert directeur Rob Buurman van de milieuorganisatie.
“Wij zijn wel geschokt door de weigerachtigheid van het Havenbedrijf van Antwerpen en FIT in het bijzonder. De overheid lijkt zo te werken als poortwachter voor een buitenlandse investeerder, waarvan het maar de vraag is of het goed is voor Vlaanderen. Blijkbaar is het zwaaien met een zak met geld, voldoende om de regelgeving terzijde te schuiven.”
“De bouw van de gigantische plasticfabriek van Ineos zal waarschijnlijk een grote milieu- en klimaatimpact hebben. De beslissingen hierover moeten dus breed maatschappelijk en politiek besproken kunnen worden. Wij verwachten van deze Vlaamse overheidsinstantie dat zij de grootst mogelijke transparantie verleent over de beleidsbeslissingen die tot het princiepsakkoord met Ineos leidden. Maar tot dusver haalt het FIT het ene na het andere argument uit de kast om te proberen documenten geheim te houden, besluit de milieuorganisatie.
Lees ook:
De Standaard, Antwerpse haven moet informatie vrijgeven over plannen voor plasticfabriek, 2 mei 2019
Apache, Havenbedrijf en FIT houden onderhandelingen met INEOS liever geheim, 2 mei 2019
Op donderdag 18 april, voorafgaand aan de eerste snede, verzamelen ABS-boeren in Maarkedal al het blik en plastic dat ze op hun velden vinden. Met deze actie vragen zij om de onmiddellijke invoering van statiegeld in het volgende regeerakkoord.
Drankblikjes die tussen het gras belanden zijn een echte plaag voor veehouders. Als er bij het maaien een blik wordt meegemaaid, belanden er scherpe stukjes blik in het veevoer. Daardoor krijgen de koeien ‘scherp-in’, verwondingen en ontstekingen in de maag. Ze worden er ziek van, soms met overlijden tot gevolg. Scherp-in door stukjes blik treft duizenden koeien per jaar, bleek uit de studie “Als blikken konden doden”. Naar schatting kost dit de Vlaamse veehouderijsector jaarlijks 4,5 tot 6,8 miljoen euro.
De boeren verliezen veel tijd met het opruimen van hun hectaren weiland. Bovendien komen er steeds nieuwe blikjes bij. Het is dweilen met de kraan open. Het is daarom voor boeren vrijwel onmogelijk om alle blikjes op te sporen en op te ruimen. Er hangt echter een grote prijs aan het over het hoofd zien van een blikje.
Met statiegeld op blikjes zouden er 70 tot 90 procent minder in het zwerfvuil belanden. Daarom vraagt boerenorganisatie Algemeen Boerensyndicaat sinds vorig jaar aan de Vlaamse regering om statiegeld in te voeren. Sindsdien is er echter nog steeds geen concreet plan voor de aanpak van de blikjes in het zwerfafval.
De drankenproducenten en vooral de supermarktsector lobbyen heftig tegen statiegeld. Daardoor blokkeerden N-VA en Open VLD de invoering van statiegeld in de Vlaamse regering. Met deze actie laat het ABS zien hoeveel drankverpakkingen er naast slechts enkele weilanden liggen. Statiegeld helpt bij het effectief terugdringen van deze vervuiling en dus ook het dierenleed en de kosten die het met zich meebrengt.
Het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) voert deze Back to Sender-actie zij aan zij met de milieuorganisatie Recycling Netwerk Benelux. De ingezamelde blikjes en flesjes zullen op een later moment Back to Sender worden gestuurd. Met het terugzenden van de blikjes roepen de boeren de N-VA en Open VLD op om hun verzet tegen statiegeld te stoppen.
“Het gebeurt niet elke dag dat boeren en milieuorganisaties aan hetzelfde zeel trekken. Maar het zwerfvuil, voor 40 procent blikjes en plastic flessen, stoort iedereen. Het veroorzaakt plastic soep en kwetsuren bij dieren. Statiegeld is een eenvoudige oplossing die de consument niks kost. Ons geduld raakt stilaan op. Samen vragen we met aandrang dat de Vlaamse regering de onmiddellijke invoering van statiegeld op plastic flessen en drankblikjes in het volgende regeerakkoord inschrijft”, besluiten de twee organisaties samen.
Zie ook :
VRT Nieuws, “Haal zwerfvuil uit voedselketen”, boeren vragen politici onmiddellijk statiegeld in te voeren, 19 april 2019
Het Laatste Nieuws, “Boeren sturen blikjes terug naar de politici: “Onze koeien sterven erdoor, statiegeld is de oplossing”, 19 april 2019
Het Nieuwsblad, Boeren vragen invoeren statiegeld: “Blikjes in bermen doden elk jaar 2.500 koeien”, 19 april 2019
VRT Radio 1, De Wereld Vandaag, Interview met ABS-voorzitter Hendrik Vandamme, 18 april 2019
AVS journaal, Boeren sturen afval terug naar politici
Het debat in de Tweede Kamer over statiegeld was behoorlijk pittig. Bij het Algemeen Overleg van 11 april 2019 bleef de oppositie aandringen bij de staatssecretaris om de in ontwerp zijnde statiegeldwetgeving niet te beperken tot kleine plastic flesjes. Vooral de afwezigheid van blikjes in de conceptregelgeving is de oppositie een doorn in het oog.
Oppositieleden Suzanne Kröger (GroenLinks), Cem Lacin (SP), Frank van Wassenberg (Partij voor de Dieren) en Gijs van Dijk (PvdA) wezen op de gevaren van blik voor koeien. Ze benadrukten dat er dubbel zoveel blikjes als flesjes in het zwerfafval zitten. Ze wezen ook op de voorspelbare verschuiving door drankproducenten van plastic naar blik. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vraagt om die redenen statiegeld op blik. Zes milieuorganisaties namen die vraag op hun Zienswijze op de conceptregelgeving.
Ook vanuit de rangen van de regeringspartijen kwamen scherpe vragen. ChristenUnie Kamerlid Carla Dik-Faber herinnerde aan de motie die een specifieke aanpak vraagt voor blikjes. Die motie kreeg immers de unanieme steun van de Tweede Kamer.
De staatssecretaris van I&W Stientje van Veldhoven (D66) weigerde echter in te gaan op de vraag naar statiegeld op blikjes. Ze verwees naar de “brede aanpak voor zwerfafval” om de blikjes aan te pakken. Ze beweerde dat de uitbreiding naar blik “het wetgevingsproces zou vertragen”.
De staatssecretaris beweerde dat 95% van de blikjes reeds gerecycled wordt. Dat klopt niet voor aluminum blikjes, waar het percentage 62% is. Bovendien leidt de huidige rekenmethode tot overschattingen. De EU scherpt daarnaast de rekenmethode aan waardoor metalen die gewonnen worden uit verbrandingsovens, maar niet afkomstig zijn van verpakkingen, daar ook niet meer bij meegeteld mogen worden.
Volgens CDA-kamerlid Agnes Mulder is statiegeld op blikjes heel duur. Dat klopt niet. In het dure Noorwegen kost het in totaal 3 ore. Dat is 0,32 eurocent per blikje. Daarmee zijn alle kosten van het Noorse statiegeldsysteem gedekt. Met dit bedrag plus de recyclinginkomsten en het deel statiegeld dat niet wordt ingeleverd, krijgen Noorse supermarkten een zogenaamde handling fee uitgekeerd, waardoor zij geen extra kosten hebben.
Door enkel aan statiegeld op plastic flessen te werken, maakt de staatssecretaris een “arbitraire knip”, besloot GroenLinks-Kamerlid Suzanne Kröger. De regelgeving is een “slap aftreksel”, zei Kröger.
SP-Kamerlid Cem Laçin stelde de vraag waarom er geen innameplicht voor supermarkten in de conceptregelgeving staat. De staatssecretaris ontweek deze vraag.
De staatssecretaris bevestigde wel tijdens het Algemeen overleg circulaire economie dat het huidige statiegeld voor grote flessen “blijft bestaan”. Dat het niet wordt verankerd in de wetgeving roept evenwel vragen op.
De staatssecretaris vermeldde dat ze niet minder dan 40 Zienswijzen heeft ontvangen met reacties op de statiegeld-wetgeving. De Zienswijze van 6 milieuorganisaties kan u alvast hier lezen.
Nieuwsuur toont falend afvalbeleid
De uitzendingen van Nieuwsuur van 9 en 10 april toonden dat het afvalbeleid in Nederland reeds decennia faalt. Steeds weer laten de Nederlandse regeringen zich paaien door vage beloftes van de vervuilende bedrijven. Ook het Plastic Pact is een vrijwillige afspraak en vrijwillige afspraken in het verleden hebben dus niet goed gewerkt.
Een jaar geleden reageerde de regering Rutte op de groeiende vraag om statiegeld in te voeren. Voor de plastic flessen gaf de Nederlandse regering de industrie nog twee jaar uitstel. Om de blikjes uit het zwerfafval te krijgen is er nog helemaal niks gebeurd.
Deze namiddag bespreekt het Algemeen overleg circulaire economie het statiegelddossier in de Tweede Kamer.
Bekijk het debat in de Tweede Kamer live hier.
Staatssecretaris Stientje van Veldhoven (D66) verklaarde op 10 maart 2018 dat ze in 2020 nagaat of het bedrijfsleven 90 procent van de plastic flessen weet te recyclen en het volume plastic flessen in het zwerfafval met 70 tot 90 procent weet te reduceren. Als dat niet zo is, beslist ze om in het voorjaar van 2021 het statiegeld effectief statiegeld op kleine plastic flessen toe te passen.
Het zogenaamde “Plastic Pact”, dat de staatssecretaris eind februari voorstelde, zet in op verbetering van de recycling. Maar het is geen oplossing voor zwerfafval of plastic soep. Concrete maatregelen die helpen om het zwerfafval en de plastic soep naar beneden te brengen, zijn nog niet ingevoerd. Het woord statiegeld komt in het hele pact niet eens voor.
Op 4 maart kwam het statiegeld op plastic flessen kleiner dan 1 liter een stap dichterbij. Staatssecretaris van Veldhoven publiceerde de conceptregelgeving voor de invoering van statiegeld. De conceptregelgeving verankert het doel van 90 procent recycling van alle plastic drankflessen in de wet. Dat helpt om de inzameling en recycling op hoog niveau te realiseren. Maar het kan niet zo zijn dat de innameverplichting voor supermarkten en grote verkooppunten uit de wet verdwijnt. Dat zet de deur open om de invoering van statiegeld te frustreren.
Het is ook niet goed dat het huidige verpakkingsbesluit wordt beperkt in scope. Binnen de huidige regelgeving is het nog mogelijk om eenvoudig te beslissen over statiegeld op nieuwe drankverpakkingen zoals blikjes. Het nieuwe wetgevende voorstel maakt het echter moeilijker om blikjes of andere drankverpakkingen in de toekomst in te voeren. Terwijl 95 procent van de gemeenten en 79 procent van de Nederlanders voorstander is van statiegeld, niet alleen op plastic flessen maar ook op blikjes.
In de zienswijze (PDF) van milieuorganisaties Recycling Netwerk, Natuur & Milieu, Plastic Soup Foundation, de Plastic Soup Surfer, Stichting De Noordzee en Greenpeace staan onze kritieken op de conceptregelgeving in meer detail beschreven.
Over de blikjes nam de regering nog helemaal geen standpunt in, terwijl er nog meer blikjes dan plastic flessen op straat liggen. Blik in het zwerfafval vormt bovendien een groot gevaar voor koeien. Nochtans stemde de Tweede Kamer unaniem de motie van CU, D66, CDA en VVD die de regering verzoekt om met het bedrijfsleven en de gemeenten afspraken te maken over een actieplan en reductiepercentage voor blik in 2020.
In een brief van 3 juli 2018 geeft Van Veldhoven aan dat ze VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen heeft gevraagd een voorstel te doen voor de aanpak van blikjes conform de motie. Afvalfonds en VNG hebben echter aangegeven dat ze niets zien in een aparte aanpak voor de blikjes.
Dat betekent dat de unaniem goedgekeurde motie van de Tweede Kamer niet wordt uitgevoerd. De vraag hoe de regering en de staatssecretaris hiermee omgaat wordt steeds dringender. Statiegeld zou het aantal blikjes in het zwerfafval met 70 tot 90% doen dalen. Het wordt tijd dat staatssecretaris Van Veldhoven hierin de regie neemt.
Sinds het Nederlandse kabinetsbesluit zijn er op Europees niveau wel snellere en daadkrachtige stappen gezet. De net goedgekeurde Europese Single-use plastic richtlijn verbiedt een reeks plastic wegwerpproducten, schrijft 90% gescheiden inzameling van plastic flessen voor en maakt de producenten van verschillende soorten wegwerpplastics (waaronder plastic flesjes) financieel verantwoordelijk voor de opruimkosten van hun afval.
Deze Europese beslissingen zijn het startschot van een revolutie in de plastic-, drank en supermarktbranche. Ze moeten binnen twee jaar worden ingevoerd in het nationaal recht van alle lidstaten. De eis voor 90% gescheiden inzameling betekent dat statiegeld sowieso in heel Europa zal worden ingevoerd de komende jaren.
Alle twaalf Nederlandse provincies, alle 21 waterschappen, 95 procent van de Nederlandse gemeenten en honderden organisaties sloten zich intussen aan bij de Statiegeldalliantie. Zij vragen de onmiddellijke invoering van statiegeld op plastic flessen én drankblikjes, dus zonder verder uitstel voor de industrie. Ook grote namen zoals landbouworganisatie LTO, multinational Ecover, supermarkt Ekoplaza en ASN Bank zijn partner van de Statiegeldalliantie geworden.
Om een statiegeldsysteem goed te doen werken moet de regering ook de innameplicht van de supermarkten in een statiegeldsysteem wettelijk vastleggen. De regelgeving mag niet beperkt worden tot kleine plastic flessen. Ze moet ook statiegeld op blikjes en andere drankverpakkingen opnemen.
Dat schrijven de 5 milieuorganisaties Recycling Netwerk Benelux, Natuur & Milieu, Plastic Soup Foundation, de Plastic Soup Surfer en Greenpeace in hun gezamenlijke Zienswijze op de conceptregelgeving over statiegeld. Ook Stichting De Noordzee steunt deze zienswijze. De conceptregelgeving werd door staatssecretaris Stientje van Veldhoven (D66) uitgewerkt en werd op 4 maart gepubliceerd in de Staatscourant.
Donderdag 11 april bespreekt het Algemeen Overleg Circulaire Economie het statiegelddossier in de Tweede Kamer.
De milieuorganisaties stellen vast dat de huidige formulering van de conceptregelgeving niet afdoende is om een succesvolle en breed gedragen invoering van statiegeld te garanderen. Op de volgende punten schiet de conceptregelgeving tekort en dient ze aangepast te worden:
1) De innameplicht voor verkooppunten moet onderdeel zijn van de regelgeving
2) De regelgeving moet niet op voorhand worden beperkt tot kleine plastic flessen en slechts enkele dranken
3) In de regelgeving dient ook (de optie van) statiegeld op blikjes en andere drankverpakkingen te worden opgenomen
4) De verantwoordelijkheid moet liggen bij producenten én retailers.
Meer info: Lees hier de volledige tekst van de Zienswijze conceptregelgeving statiegeld (PDF) die de milieuorganisaties hebben ingediend bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Het afvalbeleid in Nederland komt maar niet van de grond. Afvalpreventie is al zo’n 40 jaar het meest verwaarloosde uitgangspunt van het milieubeleid.
Preventie heeft sinds 1979 in het Nederlandse afvalstoffenbeleid de hoogste prioriteit, boven hergebruik, verbranden en storten van afvalstoffen. Het heeft echter nog bijna tien jaar geduurd voordat – onder druk van jaarlijks terugkerende kamermoties en een ongevraagd advies van de toenmalige milieuraad CRMH – de eerste beleidsstappen werden gezet:
Eind jaren tachtig werd uiteindelijk een algemene preventiedoelstelling geformuleerd voor de totale hoeveelheid afval en een aantal preventiedoelstellingen voor specifieke ‘prioritaire’ afvalstromen, zoals verpakkingsmaterialen.
Hoewel preventie de hoogste beleidsprioriteit had, heeft het afvalstoffenbeleid zich de afgelopen decennia primair gericht op het voorkomen van storten, op de zorg voor energieopwekking met meer afvalverbrandingscapaciteit en op inzameling ten behoeve van recycling van een aantal geselecteerde “prioritaire” afvalstromen.
Voor de diverse soorten verpakkingsmateriaal werd tussen 1991 en 2006 een drietal convenanten afgesloten, waarin onder meer afspraken waren opgenomen over de te realiseren hoeveelheid preventie van verpakkingsafval.
In het eerste Convenant Verpakkingen werd concreet afgesproken “de hoeveelheid (in Kton) nieuw op de markt te brengen verpakkingen uiterlijk in het jaar 2000 te brengen onder het niveau van de hoeveelheid (in Kton) van diezelfde verpakkingen in het referentiejaar 1986.”
Ook werd de resultaatverplichting opgenomen om het aantal Kton op de markt gebrachte verpakkingen in 1997 met minimaal 3% te verminderen ten opzichte van 1991 (artikel 4.3).
Daarnaast werden verdergaande inspanningsverplichtingen voor de verpakkende industrie afgesproken: 10% minder in 1997 ten opzichte van 1991 en 10% minder in 2000 ten opzichte van 1986.
De diverse fotoboeken met voorbeelden van geslaagde preventiemaatregelen konden evenwel niet verhullen dat in 1997, toen werd overgestapt op het tweede Convenant Verpakkingen, de hoeveelheid verpakkingsafval niet was afgenomen, maar juist was toegenomen. Het ging daarbij volgens het RIVM om een forse toename van ruim 15% (ten opzichte van 1986).
Het Convenant Verpakkingen had een looptijd tot 1 januari 2001 (art. 26) met tussentijdse evaluaties in 1994 en 1997, waarin zou worden bezien of de inspanningsverplichtingen op het gebied van afvalpreventie konden worden omgezet in resultaatverplichtingen (art. 23).
In tegenstelling daarmee werd het Convenant Verpakkingen echter al per 15 december 1997 vervangen door het tweede Convenant Verpakkingen. Dit convenant werd gepresenteerd als een noodzakelijke update in relatie tot de implementatie van nieuwe Europese regelgeving, met meer binding van (branche-organisaties uit) het bedrijfsleven. Feitelijk behelsde het echter vooral ook een forse afzwakking van de afspraken over afvalpreventie en producthergebruik. Ook werden er geen afspraken meer opgenomen over concreet te treffen maatregelen.
De preventieverplichting werd in het tweede Convenant Verpakkingen sterk afgezwakt door herdefiniëring van de afgesproken afvalpreventie. De preventieverplichting voor de periode 1986-2001 werd nu gedefinieerd in termen van een 10%-reductie tegenover de hoeveelheid verpakkingen die er geweest zou zijn wanneer deze net zo sterk was gegroeid als het BNP.
Kanttekening: Juist voor verpakkingenverbruik is het onzinnig om een 1-op-1 relatie te leggen met de BNP-groei. Verpakkingen worden voor het grootste deel gebruikt voor voedingsmiddelen en dranken. BNP-groei (in termen van valuta) impliceert uiteraard niet eenzelfde groei van het aantal kilo’s voeding en het aantal liters drank dat op de markt wordt gezet.
Door deze verhullende kunstgreep mocht de industrie de hoeveelheid verpakkingsafval laten stijgen. De doelstelling van het Eerste Convenant om het verpakkingsafval te verminderen werd in dit Tweede Convenant dus ongedaan gemaakt.
De resultaten uit 2001 spreken boekdelen. Uitgaande van deze kunstgreep berichtte de Commissie Verpakkingen in haar jaarverslag over 2001: “Met een preventieresultaat van 27% voldoet het bedrijfsleven ruimschoots aan de voor 2001 afgesproken preventieverplichting van tenminste 10% (ten opzichte van de hoeveelheid in 1986 die is gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het bruto binnenlands product).” (Commissie Verpakkingen, Jaarverslag 2001, oktober 2002, pag. 7 en 11).
Verder lezen leert echter dat de gemonitorde hoeveelheid verpakkingsafval feitelijk was gestegen naar 2.582 kton, precies 10% meer dan de uitgangshoeveelheid van 1986.
Hoewel er bij de afloop van het tweede Convenant Verpakkingen van de zijde van de overheid weinig animo was voor een derde convenant kwam het er eindelijk toch nadat een nieuw kabinet was aangetreden. Na een soort ‘convenantloos tijdperk’ inzake afvalpreventie werden uiteindelijk in december 2002 de handtekeningen gezet.
De algemene preventieverplichting voor verpakkingen werd ook in dit Convenant Verpakkingen III gekoppeld aan de BNP-groei. Ditmaal werd echter niet meer gesproken over 10% preventie ten opzichte van die BNP-groei. De preventieverplichting behelsde een beperking van de groei van het verpakkingenverbruik tot 2/3 van de BNP-groei (tussen 1999 en 2005). Feitelijk was dit een minder zware verplichting dan “10% preventie t.o.v. de BNP-groei”, tenzij de gemiddelde jaarlijkse BNP-groei boven de 5,6% uit zou komen (wat uiterst onwaarschijnlijk was).
Uiteindelijk concludeerde de Commissie Verpakkingen na afloop van de convenantsperiode:
“De preventiedoelstelling is niet gerealiseerd. Het BBP is in de periode vanaf 1 januari 1999 tot 31 december 2005 met 12,2 procent gestegen. De hoeveelheid nieuw op de markt gebrachte verpakkingen is in deze periode met 10,4 procent gestegen. Dat is ruim 2 procentpunten boven de overeengekomen toelaatbare toename van de hoeveelheid verpakkingen.”
(Commissie Verpakkingen – Jaarverslag 2005; oktober 2006; pag. 10). Het oorspronkelijke doel uit het eerste Convenant Verpakkingen om de hoeveelheid verpakkingen omlaag te brengen, raakt steeds verder verwijderd.
Bij het vergelijkenderwijs hanteren van de gepresenteerde cijfers moet bovendien worden bedacht dat deze monitoringcijfers veelal een veel te positief beeld geven. De cijfers onderschatten de toename van het verpakkingsafval. Dat heeft meerdere oorzaken:
De Haagse verslaggevers van dagblad Trouw vatten het als volgt samen: “Toetsbare doelstellingen ontbreken en informatie over de hoeveelheid afval en de milieuschade van afvalstoffen is er niet.”
Tot halverwege de jaren negentig werd deze totaalschatting van de input van verpakkingen nog wel vergeleken met de totale output van verpakkingen via de relevante afvalstromen. Uit de jaarlijkse rapportages van RIVM hierover bleek telkens weer eenzelfde soort discrepantie als de Algemene Rekenkamer ook constateerde.
Voor het Tweede Convenant Verpakkingen werd vervolgens maar afgesproken dat een Commissie Verpakkingen de jaarlijkse rapportages zou gaan verzorgen en niet het RIVM. Deze commissie klaagde weliswaar vaak over de “onvoldoende dekkingsgraad” achter de opgegeven hoeveelheid op de markt gebrachte verpakkingen (met name bij plastic verpakkingen), maar richtte zich verder volledig op de monitoring van gescheiden ingezameld verpakkingsafval en ging verder voorbij aan de discrepanties die bijvoorbeeld bleken uit de grote stroom verpakkingsafval in het huishoudelijk restafval.
Het gevolg: tot op de dag van vandaag is de totale hoeveelheid op de markt gebrachte verpakkingen die wordt gerapporteerd (ook in de betreffende beleidsstukken) beduidend kleiner dan de totale hoeveelheid verpakkingsafval die wordt gemeten in de hiervoor relevante afvalstromen.
De jaarverslagen van de Commissie Verpakkingen gaven ieder jaar weer een correctie op de gepresenteerde monitoringresultaten uit voorgaande jaarverslagen. Daarbij bleken de cijfers (in ‘afrekenjaren’) later vaak toch wat minder positief dan eerder gedacht. Zo werden bijvoorbeeld de monitoringsresultaten voor 2001 later weer naar boven toe gecorrigeerd en wel tot 2.785 kton, wat niet 10%, maar 19% meer was dan de uitgangshoeveelheid in 1986 (Commissie Verpakkingen – Jaarverslag 2003; oktober 2004; pag. 8).
Ook werd de monitoringsystematiek tijdens de convenantenperiode meermaals herzien. Bepaalde soorten verpakkingen werden daarbij ‘weggedefinieerd’ als verpakking. Het meest pregnante voorbeeld hiervan zijn de vuilniszakken, die verantwoordelijk waren voor meer dan 10% van de vastgestelde hoeveelheid plastic verpakkingsafval in 1986 (Bureau B&G – Analysedocument Deelprojekt Kunststof Verpakkingen; juni 1990; Samenvatting – pag. 1).
Desondanks werd overigens voor plastic verpakkingen nooit voldaan aan de preventieverplichting. In 2005 werd zelfs volgens de opgave van de Commissie Verpakkingen bijna 30% meer plastic verpakkingen op de markt gezet dan in 1986.
Een jaar vóór het afsluiten van het Derde Convenant Verpakkingen werd op 17 december 2001 het ‘Ontwerp-Besluit beheer verpakkingen en papier en karton’ gepubliceerd in de Staatscourant.
Volgens dit ontwerpbesluit zou de producent en importeur onder meer verplicht worden tot het treffen van preventiemaatregelen die ertoe leiden “dat de gewichtshoeveelheid in Nederland van door de producent of importeur nieuw op de markt gebrachte verpakkingen in het jaar 2005 is afgenomen met ten minste 10 gewichtsprocent ten opzichte van de hoeveelheid verpakking welke door hem nieuw in het jaar 1999 op de markt is gebracht, gecorrigeerd voor de ontwikkeling van zijn omzet.” (art. 3.2)
Met de vervanging van het kabinet-Kok door het kabinet-Balkenende ging er in 2002 echter een andere wind waaien die ook effect had op de beleidsaanpak van afvalpreventie en verpakkingen. Het zou nog jaren duren voor er een Verpakkingenbesluit werd ingevoerd en de bovengenoemde concrete preventieverplichting uit het ontwerpbesluit was daarin geschrapt.
Wel bleef de algemene preventieverplichting voor producenten en importeurs gehandhaafd:
“De producent of importeur neemt maatregelen ter bevordering van het verminderen van de gewichtshoeveelheid van verpakkingen … die er in ieder geval op gericht zijn dat (a.) zo weinig mogelijk verpakkingsmateriaal wordt gebruikt” (art. 3.1.a).
Daarmee werd de preventieverplichting voor de (individuele) producent en importeur om zo weinig mogelijk verpakkingsmateriaal te gebruiken per 1 januari 2006 een feit.
De geschrapte kwantitatieve preventieverplichting (10%-reductie) was zeer concreet en goed controleerbaar. Aan de handhaafbaarheid van de kwalitatief geformuleerde preventie-verplichting werd en wordt evenwel sterk getwijfeld.
Recycling Netwerk is echter van mening dat ook de overgebleven kwalitatieve preventie-verplichting (“zo weinig mogelijk”) in een – beperkt – aantal gevallen wel degelijk goed controleerbaar en redelijk eenvoudig handhaafbaar is. Dat geldt met name in gevallen waarin producenten of importeurs verpakkingen op de markt brengen die beduidend zwaarder zijn dan de verpakkingen gebruikt door concurrenten. (Uiteraard geldt dit dan uitsluitend voor verpakkingen van hetzelfde materiaal en met dezelfde inhoud.)
Al voordat het Verpakkingenbesluit in werking trad heeft Recycling Netwerk hier nadrukkelijk op gewezen en ook diverse concrete voorbeelden aangedragenFOOTNOTE: Footnote. Vanuit het toenmalige milieuministerie werden echter andere prioriteiten gelegd binnen het verpakkingenbeleid: vooral op controle van de aansluiting bij een algemeen verbindend verklaard Afvalfonds Verpakkingen en verder op – afspraken over – gescheiden inzameling. Wat betreft afvalpreventie is de VROM-Inspectie de eerste jaren van het Verpakkingenbesluit niet verder gekomen dan een wat halfslachtige briefwisseling met een supermarktketen (over te zware plastic melk-verpakkingen).
Onder het regime van het Verpakkingenbesluit werd eind juli 2007 de vereiste overeenkomst tussen milieuministerie, ‘het’ bedrijfsleven en de VNG afgesloten. Feitelijk was dit het vierde convenant over verpakkingen: de zogenaamde “Raamovereenkomst verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 t/m 2012”. In tegenstelling tot de voorgaande convenanten stond in deze raamovereenkomst echter geen enkele afspraak over reductie van de hoeveelheid verpakkingen. De woorden afvalpreventie en preventie komen er zelfs in het geheel niet meer in voor.
De preventieverplichting ten aanzien van verpakkingen is daarmee volledig een zaak van de individuele producent en importeur en van overheidscontrole en -handhaving op de betreffende “essentiële eis” van het Verpakkingenbesluit. Toen bijna zes jaar na het van kracht worden van het Verpakkingenbesluit door de VROM-Inspectie werd gecontroleerd op de naleving van de essentiële eisen werd evenwel het volgende geconcludeerd:
| Naleving essentiële eisen verpakkingen – VROM-inspectie 2011 |
| Reductie verpakkingsgewicht (uit §3 Conclusies) |
|
|
|
Ook de daarna volgende raamovereenkomst, met een looptijd van 2013 tot 2023, bevat geen afspraken over afvalpreventie en het verminderen van de hoeveelheid verpakkingen. En verwijst hier alleen nog naar in algemene termen.
Lees ook: Nieuwsuur, Ondanks jaren inspanning is het plasticprobleem niet te temmen, 9 april 2019
Milieuorganisatie Recycling Netwerk Benelux helpt de gemeente Bredene bij het opzetten van een proefproject rond statiegeld dat volgend jaar van start gaat. De gemeente wil met statiegeld een oplossing vinden voor de plastic flessen en blikjes in het zwerfafval. De kustgemeente is het beu te wachten op de Vlaamse regering.
Bredene is de eerste gemeente in Vlaanderen die deze stap zet. De badgemeente heeft twee doelstellingen voor ogen: de hoeveelheid zwerfvuil drastisch naar beneden halen, en een betere recyclage van plastic en blik mogelijk te maken.
“Zwerfvuil is irritant voor mensen die langs het strand of in het park wandelen. Koeien die stukjes van blik binnenkrijgen, worden ziek of gaan dood. Mensen maken geen strand- of boswandelingen om constant vuilnis te zien liggen, dan kunnen ze even goed gaan wandelen in een containerpark. Vogels en vissen raken verstrikt in zwerfvuil of zien het aan voor voedsel”, zegt de burgemeester van Bredene, Steve Vandenberghe (sp.a).
Hij vraagt de andere kustgemeentes tijdens het kustburgemeestersoverleg van woensdag 3 april om mee te stappen in het project.
40 procent van het volume zwerfafval bestaat uit blikjes en plastic flessen. Bredene rekent erop dat statiegeld dit significant doet dalen. Een propere omgeving is immers een belangrijke troef voor een kustgemeente. In Duitsland wordt dankzij het statiegeldsysteem tot 98% van de drankverpakkingen teruggebracht.
Related articles:
Het Nieuwsblad, Kustgemeente is zwerfvuil moe: in Bredene gooi je vanaf 2020 geen enkel blikje zomaar weg
Om de supermarkten en drankproducenten aan te zetten hun verzet tegen statiegeld te staken, sturen mensen maandag 25 maart drankverpakkingen uit het zwerfafval terug naar de fabrikanten. Deze actie is onderdeel van de reeds lopende BackToSender-campagne van Recycling Netwerk Benelux.
Op zaterdag 23 maart vond in Nederland de Landelijke Opschoondag plaats. Deze wordt ieder jaar weer georganiseerd door Nederland Schoon.
De mensen die deelnemen aan deze opruimactie doen dit met de beste bedoelingen en verdienen ieders respect; zij dragen vrijwillig hun steentje bij aan het schoner maken van hun buurt.
Alleen opruimen biedt echter geen oplossing voor het zwerfafvalprobleem. Een straat of buurt is misschien voor even schoon, maar zwerfafval is niet verholpen voor de rest van het jaar. Al snel belandt er nieuw zwerfafval, zoals drankverpakkingen, in het milieu. Het is dweilen met de kraan open.
Ongeveer 40% van het zwerfafval bestaat uit blikjes en kleine plastic flesjes. In Duitsland en Scandinavië liggen deze drankverpakkingen niet tot nauwelijks in het milieu omdat er statiegeld op zit. Wanneer we in Nederland statiegeld op deze blikjes en kleine plastic flessen zouden heffen, zouden ook onze straten en bermen het hele jaar door schoner zijn.
De drankenproducenten en supermarkten, met Albert Heijn op kop, verzetten zich echter tegen de uitbreiding van statiegeld naar alle plastic flessen en blikjes. Omdat wij willen dat zwerfafval effectief wordt aangepakt, roepen wij de drankenproducenten en supermarkten op hun verzet tegen statiegeld te staken met deze nieuwe BackToSender-actie.
Daarbij leggen de zwerfafvalrapers de blikjes en flesjes die ze in het zwerfafval aantreffen vast op foto en delen ze deze op social media met #BackToSender en #StatiegeldHoudtNederlandSchoon.
Vervolgens sturen ze eventueel de drankverpakkingen via antwoordnummers gratis per post terug naar de drankenproducent of supermarkt. Elk blikje en flesje gaat gepaard met de oproep richting de producent om zich als voorstander van statiegeld uit te spreken.
Dit doen wij op maandag 25 maart om aan te tonen dat er slechts twee dagen na de Landelijke Opschoondag helaas nog steeds, of weer, drankverpakkingen in het zwerfafval liggen. Opruimen houdt de drankverpakkingen niet uit ons milieu, statiegeld wel.
Volg de actie op de BackToSender website, Twitter en Facebook.
Je kan dit statiegeldbonnetje (download) erbij fotograferen.
Je kan eventueel deze brief (pdf) naar de producent sturen.
Statiegeld op kleine plastic flesjes is vandaag weer een stuk dichterbij gekomen in Nederland. Producenten van frisdrank en water worden verplicht tot de invoering van statiegeld op plastic flessen van minder dan 1 liter wanneer de tekst gaat gelden van het wettelijke besluit dat vandaag in de Staatscourant is gepubliceerd.
Een mooie eerste stap in het wetgevingsproces. Extra goed is dat ook het doel van 90 procent recycling van alle plastic drankflessen in de wet verankerd wordt. Maar het kan niet zo zijn dat de innameverplichting voor supermarkten en grote verkooppunten uit de wet verdwijnt. Dat zet de deur open om de invoering van statiegeld te frustreren. Dat zegt milieuorganisatie Recycling Netwerk in een eerste reactie op de publicatie van de conceptregelgeving in de Staatscourant maandag.
In 2018 sloten alle provincies, meer dan 90 procent van de Nederlandse gemeenten en de honderden organisaties zich aan bij de Statiegeldalliantie. Die vraagt de onmiddellijke invoering van statiegeld, dus zonder verder uitstel voor de industrie. Ook landbouworganisatie LTO, multinational Ecover, supermarkt Ekoplaza en ASN Bank werden partner van de Statiegeldalliantie.
Het Plastic Pact zal helpen voor efficiëntere recycling van plastics in Nederland. Maar het zal het zwerfafval en de plastic soep niet verhelpen, reageert milieuorganisatie Recycling Netwerk donderdag op de overeenkomst tussen staatssecretaris Stientje van Veldhoven (D66) en voornamelijk bedrijven die plastic produceren of toepassen.
Alle initiatieven om het plastic probleem in te dammen, zijn welkom. Maar de afspraken in het pact maken de uit de hand gelopen plastic productie slechts een beetje minder vervuilend. De noodzakelijke fundamentele systeemwijziging om anders om te gaan met plastics blijft uit, analyseert directeur Rob Buurman van Recycling Netwerk.
Onze vier opmerkingen op het Plastic Pact:
Het engagement over reductie of hergebruik van plastics kan sterker
Het pact helpt amper om de vervuiling door plastic zwerfafval en plastic soep tegen te gaan
Het pact stimuleert het gebruik van biobased plastics, maar die zijn in het milieu net zo schadelijk als fossiele plastics, en geen oplossing voor de plastic soep.
Het pact spreekt niet over statiegeld op plastic flessen of andere producten
De invoering van statiegeld op kleine plastic flessen is onvermijdelijk. Maar nog altijd zwijgen bedrijven erover, of lobbyen ze er tegen, zoals ondertekenaar Albert Heijn.
Het Plastic Pact legt uitdrukkelijk geen juridische verantwoordelijkheid bij de bedrijven
Het is een vrijwillig engagement. Omdat deze beloftes niet in een wettekst staan, zijn ze niet handhaafbaar door de overheid als ze niet nagekomen worden.
Het is niet de bedoeling dat noodzakelijke regelgeving wordt vervangen voor vrijblijvende afspraken. Recycling Netwerk pleit daarom voor:
De omvang en urgentie van de plastic vervuiling is dusdanig, dat we de luxe niet meer hebben om zes jaar lang te wachten wat deze vrijwillige afspraken in het Plastic Pact opleveren. Recycling Netwerk vraagt dan ook dat regering en parlement handhaafbare wetten en besluiten stemmen om de almaar groeiende plastic lawine echt te stoppen. Vrijwillige afspraken zijn in 2019 too little, too late.
Related articles: AfvalOnline, Plastic Pact: 20 procent reductie, 100 procent recyclebaar, 21 februari 2019
Interview NPO Radio 1 met Rob Buurman over het Plastic Pact (21 februari 2019)
Rob Buurman, directeur Recycling Netwerk Benelux rob.buurman@recyclingnetwerk.org +31 616 40 10 40
Perscontact: Tom Zoete, communicatie Recycling Netwerk Benelux tom.zoete@recyclingnetwerk.org +31 616 10 10 50
Recycling Netwerk is lid van de internationale Break Free From Plastics-beweging.
Statiegeld is het systeem waarbij een klein bedrag wordt betaald bij de aankoop van een product. Het volledige bedrag wordt terugbetaald wanneer het product weer wordt ingeleverd.
In Nederland zit er statiegeld op hervulbare glazen flessen en op plastic flessen van meer dan 1 liter. In België zit er statiegeld op hervulbare glazen flessen. Maar er is nog geen statiegeld voor alle plastic flessen en niet voor de blikjes.
Alles wat wij doen kost energie, dus ook de productie, consumptie en verwerking van drankverpakkingen. Het doet ertoe hoe we dat systeem precies inrichten. De keuze voor materialen van drankverpakkingen, het vervoer van de verpakkingen naar de winkel, de manier hoe we het afval inzamelen, dat alles bepaalt hoe groot de CO2-voetafdruk is van de drankverpakkingen.
Statiegeld is een methode om de CO2-voetafdruk van de drankverpakkingen naar beneden te krijgen. Alles meegerekend, van de productie van het plastic tot het recyclen of verbranden van het flesje, leidt statiegeld tot een CO2-besparing ten opzichte van de huidige inzamelsystemen. Met statiegeld worden meer plastics goed gerecycled, worden ze minder verbrand en is er minder olie nodig om nieuw plastic te produceren.
Hieronder berekenen we wat het verschil is aan uitstoot van CO2 tussen statiegeldsystemen en de huidige inzamelsystemen in Nederland en België.
Plastic flessen

In 2017 voerde CE Delft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een studie uit naar de kosten en effecten van statiegeld. De studie becijferde daarbij ook de CO2-besparing die statiegeld op kleine plastic flessen en blikjes oplevert.
De CO2-berekening in de statiegeldstudie leunt sterk op een onderzoek uit 2011 van CE Delft waarin de milieuverschillen voor verschillende inzamelsystemen in kaart worden gebracht. De conclusie daarbij was dat de hoeveelheid recyclaat die wordt geproduceerd en ingezet in nieuwe producten, doorslaggevend is. De invloed van transport ten opzichte van het hergebruik van het materiaal, is bijvoorbeeld beperkt.
De statiegeldstudie schat in dat op dit moment effectief 58% van de kleine plastic flessen wordt gerecycled. Wanneer dat met statiegeld wordt opgetrokken naar 90% dan levert dat voor plastic flessen een jaarlijkse CO2-besparing op van 20 kton.
Blikjes

Voor blikjes wordt er een onderscheid gemaakt tussen blikjes uit staal en blikjes uit aluminium. De studie schat dat de verschillen voor blikjes van staal beperkt zijn omdat die relatief goed terug te winnen zijn uit verbrandingsovens. Bij aluminium blikjes treden er echter grotere verliezen op. De studie komt voor aluminium blikjes momenteel uit op een recyclingpercentage van 62%. Bij een 90% retour van blikjes, wordt volgens de studie uiteindelijk 96% van het aluminium blik gerecycled. Dat leidt tot een CO2-besparing van 34 kton.
De uitbreiding van statiegeld naar plastic flesjes en blikjes, uitgaande van 90% inzameling, zou in Nederland dus een jaarlijkse vermindering van 54 kton CO2-uitstoot opleveren.
We maken wel twee kanttekeningen bij deze cijfers. Allereerst wordt er momenteel minder van de plastic flessen gerecycled dan het percentage van 58% dat CE Delft hanteert voor de vergelijking. Een retourpercentage van 90% dankzij statiegeld zou dus een grotere verbetering zijn, en nog meer CO2-reductie behalen.
Bij de huidige rekenmethode wordt ook vocht en aanhangend vuil meegeteld bij het ingezamelde gewicht van de plastic flessen. Dat leidt tot een overschatting van de huidige recycling, en dus een onderschatting van de milieuwinst van statiegeld. Volgens sorteeranalyses van Eureco in opdracht van Rijkswaterstaat blijkt namelijk dat 41,8% van het gewicht van plastic flessen eigenlijk bestaat uit vocht en vuil. Het valt te verwachten dat de plastic flessen die worden geteld als ‘gerecycled’ ook een gelijkaardig aandeel vocht en vuil bevatten, waardoor het werkelijke recyclingpercentage van kleine plastic flessen substantieel lager uitvalt dan 58%. Het ligt eerder tussen de 30 en 40%. De werkelijke CO2-winst van 90% inzameling via statiegeld zal dus substantieel hoger liggen dan eerder is berekend.
Plastic flessen

In 2015 voerde de officiële Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij OVAM een impactanalyse uit naar de invoering van statiegeld op eenmalige drankverpakkingen. Bij deze analyse werd niet doorgerekend wat de CO2-winst is van een statiegeldsysteem.
Uit het Nederlandse studiewerk valt op te maken dat de inzet van gerecycled materiaal de belangrijkste factor is voor het bepalen van de CO2-winst. Volgens de Nederlandse statiegeldstudie leidt de extra recycling van 7,6 kton PET tot een CO2-winst van 34 kton. Dat betekent 4,47 kton CO2-besparing per kton extra recycling van PET. Voor aluminium gaat de studie uit van 7 kton CO2-besparing voor iedere kiloton extra recycling.
Om de Nederlandse kengetallen toe te passen op de Vlaamse situatie is het nodig te bepalen met welk aandeel de recycling in België zou stijgen ten gevolge van statiegeld op plastic flessen en blikjes, zo staat ook in de impactstudie van de OVAM. Hieronder doen we de berekening.
Volgens studiewerk van Recover wordt de helft van de PET-flessen op de Vlaamse markt gerecycled (volgens cijferwerk van Fost Plus is dat 87,7%, maar hun rekenmethode leidt tot overschattingen). In Vlaanderen wordt jaarlijks 32 kton PET gebruikt voor drankverpakkingen. Als de recyclage van 50% verbetert naar 90% dan wordt dus 12,8 kton extra plastic gerecycled. Uitgaande van de Nederlandse CO2-besparing van 4,47 kton per kton PET-recycling, gaat het dan om 57,2 kton CO2-besparing bij de productie van plastic flessen in Vlaanderen.
Blikjes

In de Vlaamse statiegeldstudie van OVAM staat dat jaarlijks 4,966 kton aluminium blikjes op de Vlaamse markt wordt gebracht, waarvan volgens de studie 69,2% gescheiden wordt ingezameld en gerecycled. Dat levert 3,436 kton op.
Dan blijft er 1,530 kton aluminum over. Als we ervan uitgaan dat dit aluminium naar de verbrandingsoven gaat, dan wordt een deel ervan teruggewonnen uit de bodemassen. De efficiëntie daarvan wordt in de Nederlandse statiegeldstudie geschat op 62%. Het onderzoek van Recover haalt onderzoek van HJ P Claassens aan, dat een recyclingefficiëntie van aluminium uit bodemassen van 32% berekende. Uitgaande van een efficiëntie van 32 tot 62%, wordt zo nog 0,489 tot 0,948 kton gerecupereerd.
Er wordt in Vlaanderen met het huidige systeem dus in totaal 3,925 tot 4,385 kton aluminum van de blikjes gerecycleerd.
Een statiegeldsysteem met 90% gescheiden inzameling zou, samen met terugwinning van aluminium uit verbrandingsovens (voor de overige 10% blikjes), op een totale recyclage van 93,2 tot 96,2% uitkomen. Hierbij wordt dan 4,589 tot 4,777 kton aluminum gerecycleerd. Ten opzichte van de huidige situatie gaat dan om 0,392 tot 0,663 kton extra recycling. Uitgaande van 7 kton CO2-besparing per kton extra aluminiumrecycling, is er sprake van 2,7 tot 4,6 kton CO2-reductie bij statiegeld op blikjes.
De uitbreiding van statiegeld naar plastic flessen en blikjes, uitgaande van 90% inzameling, zou in Vlaanderen dus een jaarlijkse vermindering van 59,9 tot 61,8 kton CO2-uitstoot opleveren.
Statiegeld op plastic flessen zou in Vlaanderen (uitgaande van 90% gescheiden inzameling) de CO2-uitstoot met ongeveer 59,9 tot 61,8 kton CO2 verminderen. Dat is meer dan in Nederland (54 kton CO2). Dat heeft drie belangrijke oorzaken. Allereerst is er in Nederland statiegeld op grote plastic flessen, waardoor die nu al goed worden ingezameld en gerecycled. Ten tweede wordt in Vlaanderen relatief veel dranken in plastic geconsumeerd. Ten derde gaan we in de berekening voor Nederland uit van een kunstmatig hoog recyclingcijfer van de kleine plastic flessen, terwijl Recover in Vlaanderen een realistische inschatting heeft gemaakt van de recyclage van plastic flessen.
Statiegeld op plastic flessen en blikjes helpt om de CO2-voetafdruk in Nederland en Vlaanderen samen met ongeveer 115 kton te verminderen. Bomen planten is een veelgehoord recept om CO2 te compenseren. Een gemiddelde boom haalt jaarlijks ongeveer 20 kg CO2 uit de atmosfeer. Dat betekent dat de CO2-milieuwinst van statiegeld in Vlaanderen en Nederland in een jaar gelijkstaat aan de hoeveelheid CO2 die 5,8 miljoen bomen in een jaar uit de atmosfeer halen.

Van een blikje Coca-Cola of een flesje Spa is de verpakking verantwoordelijk voor een belangrijk deel en soms zelfs het grootste deel van klimaatvoetafdruk.
Bij de Groep Spadel zijn de verpakking en ingrediënten volgens hun eigen rapport samen verantwoordelijk voor 55% van de totale carbon footprint. De productie (20%) en logistiek (22%) wegen minder zwaar dan de flesjes zelf. Steeds meer producenten beseffen dat ze klimaatneutraal moeten worden. Een van de beste manieren om dat te bereiken, is gebruik maken van gerecycled materiaal.
Door virgin PET te vervangen door gerecycled PET (rPET) kan de totale CO2-afdruk van de verpakking sterk verminderen. Volgens de Ecoinvent dataset (v3.4 voor IPCC 2013 GWP 100a), is de bijdrage van rPET 0,472 CO2 eq/kg en die van virgin PET 2,92 CO2 eq/kg. De productie van nieuwe, virgin PET-plastic veroorzaakt ruim vijf keer zo veel CO2-afdruk dan het gebruik van gerecyclede PET. Dat betekent dat een plastic fles van 100% gerecycled materiaal een 80% lagere klimaatvoetafdruk heeft dan een fles gemaakt van virgin PET (de precieze winst kan variëren naar gelang de lokale omstandigheden).
Statiegeld helpt producenten op twee manieren. Allereerst zorgt het ervoor dat er meer materiaal wordt ingezameld voor hergebruik. Daardoor kan het aandeel gerecycled materiaal in een flesje worden verhoogd. Ten tweede zorgt statiegeld voor een schone stroom gerecycled PET. Die kan men direct gebruiken voor nieuwe flessen. De PET die in Nederland met ‘Plastic Heroes’ en in België met de blauwe zak wordt ingezameld, bevat meer verontreinigingen. Daardoor is de Plastic Heroes-PET en de blauwe-zak-PET moeilijker in te zetten in nieuwe PET-flessen.

De Nederlandse statiegeldstudie van CE Delft heeft enkel berekend wat de kosten zijn van de uitbreiding van het huidige statiegeldsysteem naar kleine plastic flesjes en blikjes. Ze geeft daardoor geen goed beeld van de totale kosten van het statiegeldsysteem.
De Vlaamse statiegeldstudie van de OVAM berekende wel de totale kosten en schat dat de kosten voor het bedrijfsleven 36 miljoen euro bedragen terwijl de inkomsten op 78 miljoen worden geschat (tabel 3, scenario 5). Het grootste deel van die inkomsten bestaat uit niet ingeleverde flessen en niet ingeleverde bonnetjes. Als we die inkomsten buiten beschouwing laten dan kunnen we stellen dat de totale kosten van het systeem 21 miljoen euro bedragen.
Statiegeld leidt tegelijk tot een kostenreductie bij het huidige inzamelsysteem van verpakkingen, ter waarde van 9,3 miljoen euro (tabel 5), maar ook tot een verminderde inkomst van materialen via de inzameling van de blauwe zak, ter grootte van € 12,8 miljoen.
Tot slot schat de Vlaamse statiegeldstudie dat jaarlijks 20,1 miljoen wordt bespaard op het opruimen en voorkomen van het zwerfafval (tabel 3). Uitgaande van het studiewerk van de OVAM, kost de invoering van statiegeld op plastic flessen en blikjes volgens het studiewerk van de OVAM in totaal ongeveer 3,5 miljoen euro per jaar.
Maar om de echte totale kosten te bepalen, moet worden gekeken naar de bredere maatschappij. In opdracht van Recycling Netwerk becijferde een student van Universiteit Wageningen dat de Vlaamse Veehouderij jaarlijks 4,5 tot 6,8 miljoen euro kwijt is aan de kosten van zwerfafval, waarbij flesjes en vooral blikjes een belangrijke rol spelen. Bij het maaien belanden er soms stukjes van weggegooide blikjes of ander zwerfvuil in het veevoeder. Die stukjes veroorzaken letsels in de magen van runderen waardoor naar schatting 2.051 tot 2.474 koeien jaarlijks overlijden. Met statiegeld belanden er veel minder blikjes in de berm. Die kostenpost zou dus dalen.
Een rapport van Recover en Interafval stelde dat de Vlaamse kost van het zwerfafval van verpakkingen in de ordegrootte van 1 miljard euro ligt. Flesjes en blikjes maken maar liefst 40% uit van het totale volume zwerfafval en zijn overduidelijk de belangrijkste verpakkingen in het zwerfafval. Het geeft een indicatie van de brede maatschappelijke winst die geboekt wordt wanneer statiegeld op flesjes en blikjes wordt ingevoerd.
Vanuit maatschappelijk oogpunt, is statiegeld zonder twijfel een directe kostenbesparing, die ook nog CO2-winst oplevert. Ter vergelijking: het “Handboek milieu-prijzen 2017” van CE Delft rapporteert dat in 2015 een CO2-prijs van 48 euro had gepast om de klimaatdoelen te realiseren. Die prijs loopt op naar 80 euro in 2030 en 160 euro in 2050. Zo bezien is statiegeld dus een uitzonderlijk kostenefficiënt middel om de CO2-voetafdruk te verlagen.
Statiegeld helpt om de CO2-uitstoot te verminderen en dat levert geld op. Ten opzichte van de totale CO2-uitstoot van alle sectoren in Nederland en België (transport, energie, industrie) is de bijdrage relatief bescheiden. De grote winst zal moeten komen van het afstappen van fossiele brandstoffen voor onze energievoorziening en transport.
Maar, de bijdrage van statiegeld is toch ook significant. De maatregel is dus op zijn plaats binnen het divers pakket aan klimaatmaatregelen om de verschillende CO2-bronnen aan te pakken.
Statiegeld op plastic flessen en blikjes helpt om de CO2-voetafdruk in Nederland en Vlaanderen met ongeveer 115 kton te verminderen. Dat betekent dat de milieuwinst van statiegeld in een jaar gelijkstaat aan de hoeveelheid CO2 die 5,8 miljoen bomen in een jaar uit de atmosfeer halen.
Het voordeel van statiegeld als klimaatmaatregel is dat het snel en eenvoudig kan ingevoerd worden door een politieke beslissing en brede steun geniet bij 80% van de Nederlandse en Vlaamse bevolking. In die zin is het een quick win en low hanging fruit voor beleidsmakers die nu concrete klimaatmaatregelen willen nemen.
Naast een positief effect voor het klimaat heeft statiegeld ten slotte zeer grote voordelen voor de leefomgeving, het dierenwelzijn en de strijd tegen de plastic soep.
| Effect van statiegeld op… | plastic flessen | blikjes | plastic flessen + blikjes (reductie in kiloton CO2) |
| Nederland | 20 | 34 | 54 |
| Vlaanderen | 57,2 | 2,7 tot 4,6 | 59,9 tot 61,8 |
| Totaal | 77,2 | 36,7 tot 38,6 | 113.9 tot 115.8 |
Dat heeft de Raad van State woensdag bepaald in een rechtszaak aangespannen door milieuorganisatie Recycling Netwerk.
De recycling van glas schiet jaar na jaar tekort in Nederland. Het Besluit beheer verpakkingen bepaalt dat elk jaar 90 procent van de verkochte glasverpakkingen gerecycled moet worden (in artikel 6, tweede lid). Maar het Afvalfonds doet samen met de bij haar aangesloten bedrijven onvoldoende inspanningen, en dat percentage is sinds 2010 niet meer gehaald.
De Raad van State geeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, Stientje van Veldhoven, nu nog 8 weken om maatregelen te nemen tegen het Afvalfonds. De Raad van State stelt dat het duidelijk is dat het Afvalfonds de 90 procent niet haalt en dat de staatssecretaris het fonds meer onder druk moet zetten om de wettelijke norm te respecteren.
Staatssecretaris van Veldhoven stelde eerder dat ze geen dwangsom kan opleggen, maar de Raad van State zegt dat ze dat wel degelijk kan doen. De Raad van State concludeert dan ook dat het beroep van Recycling Netwerk terecht is, en dat de staatssecretaris een nieuwe beslissing zal moeten nemen over het handhavingsverzoek.
“Wij zijn zeer content met deze uitspraak van de Raad van State. We hopen dat de staatssecretaris zich gesterkt voelt in de opdracht om nu echt te gaan handhaven. En wij zullen Den Haag blijven herinneren aan hun wapenspreuk: “Je maintiendrai”, reageert Recycling Netwerk-voorzitter Robbert van Duin: “Zo proberen we met hulp van de regering het Afvalfonds te dwingen om die maatregelen te nemen die het milieu ten goede komen”.
Historiek van de rechtszaak
Van 2013 tot en met 2015 werd al niet aan de recyclingnorm voldaan. In 2016 verwachtte het Afvalfonds een recyclingpercentage van 84 procent. Voor 2017 verwacht het Afvalfonds 86 procent recycling. Jaar na jaar blijft de recycling van glas dus onder de norm.
Recycling Netwerk merkt daarbij op dat de grote hoeveelheid verpakkingsglas in het huishoudelijk restafval laat zien dat deze cijfers nog een veel te rooskleurig beeld schetsen; feitelijk is de stap naar 90% dus nog veel groter. Het halen van 90 procent glasinzameling en recycling is nochtans makkelijk te halen door bijvoorbeeld het toenemend aanbod van bierflesjes zonder statiegeld te stoppen en opnieuw statiegeld in te voeren op glazen potten voor onder meer conserven en broodbeleg, zegt Recycling Netwerk.
Meer info
Lees hier de volledige uitspraak van de Raad van State van woensdag 23 januari 2019: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:150&showbutton=true&keyword=glazen+verpakkingen
Related media
Trouw, Raad van State: overheid moet bedrijfsleven dwingen tot hergebruik van glas
AfvalOnline, Handhaving Afvalfonds om glasrecycling komt dichterbij
RTL Nieuws
De richtlijn bevat belangrijke bepalingen over de volgende zaken:
– De richtlijn voorziet dat producenten van onder meer sigarettenfilters, ballonnen, specifieke voedselverpakkingen en drankverpakkingen moeten betalen voor de opruimkosten van hun zwerfafval (uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, artikel 8 in de richtlijn). Dit gaat in vanaf januari 2023 voor verpakkingen en cigaretten, en in 2024 voor doekjes en ballonnen.
Dit is een goede maatregel, zegt milieuorganisatie Recycling Netwerk Benelux. Het stimuleert bedrijven om in te zetten op preventie van zwerfafval en betere inzamelsystemen. Het is ook eerlijker dan de huidige situatie, waarbij de rekening voor opruimkosten terechtkomt bij de gemeenten, en dus de belastingbetalers.
– De Lidstaten zullen 90% van de plastic flessen gescheiden moeten inzamelen tegen 2029 (artikel 9 van de richtlijn). Die maatregel is nodig om de plastic flessen uit de natuur en de zee te houden. In de praktijk betekent dit de invoering van statiegeldsystemen, zoals Noorwegen en Duitsland al jaren aantoont. Maar tot dusver treuzelden de Nederlandse en Belgische overheden met de invoering ervan.
– De richtlijn voorziet ook dat alle nieuwe plastic flessen minstens 30% gerecycled materiaal moeten bevatten vanaf 2030. Deze beslissing zal de marktvraag naar recyclaten een boost geven, en zo de circulaire economie aanvuren.
– Verder worden de volgende plastic wegwerpproducten verboden: rietjes, wattenstaafjes, roerstaafjes, bestek en borden, drank- en voedselverpakkingen van geëxpandeerd polystyreen (piepschuim) en de zogenaamde oxo-degradeerbare plastic wegwerpproducten.
– Voor bepaalde voedselverpakkingen met plastics erin, zoals de wegwerpbekers van Starbucks of de fast-food verpakkingen van McDonalds, worden de lidstaten geacht de consumptie te verminderen. Dit zal betekenen dat die bedrijven op zoek zullen gaan naar alternatieve materialen en herbruikbare verpakkingen.
– Lidstaten moeten ook voor visnetten maatregelen invoeren om te voorkomen dat ze in zee terechtkomen. De precieze uitwerking daarvan wordt aan de lidstaten overgelaten.
Gevolgen van de nieuwe richtlijn
Zowel de Nederlandse als Belgische overheden hebben vanaf het begin aangedrongen op een ambitieuze richtlijn.
Op Europees niveau werd de discussie aangevoerd door EU-Commissaris Frans Timmermans en Europees Parlementslid Frédérique Ries.
De doelstellingen die de Europese Richtlijn voorschrijft, zijn minimumdoelstellingen. Ze zijn goed omdat ze als stip op de horizon fungeren. Tegen uiterlijk die deadlines zullen de Europese lidstaten zover moeten zijn.
De richtlijn zal betekenen dat de lopende afspraken met het bedrijfsleven over zwerfafval en de inzameling van verpakkingen opengebroken moeten worden. Er gaan nieuwe afspraken gemaakt moeten worden die recht doen aan de Europese afspraken over zwerfafval en de vermindering van bepaalde plastic voedselverpakkingen. Zo is de Raamovereenkomst verpakkingen die in Nederland tot 2022 loopt niet langer houdbaar. En ook het nieuwe Verpakkingsplan dat in België recent nog is afgesproken met het bedrijfsleven, is al direct achterhaald en kan onmogelijk stand houden.
Lees ook:
De Standaard, Europa voert strijd tegen plasticafval op, 18/12
De Telegraaf, EU-landen bereiken akkoord over verbod wegwerpplastic, 19/12
RTL Nieuws, Verbod wegwerpplastic waarschijnlijk over twee jaar van kracht: EU-landen akkoord, 19/12
De Tijd, Europees verbod op rietjes en plastic borden is een feit, 19/12
Met de Statiegeld Store, een pop-up shop in Antwerpen waar je tussen 15 en 17 november 1 euro statiegeld krijgt voor een petfles of PET-flessen, wil het bedrijf tonen dat statiegeld echt werkt om PET-verpakkingen uit het zwerfafval te houden.
Met deze actie ondersteunt het ecologisch schoonmaakmerk Ecover de vraag van de Statiegeldalliantie aan de Vlaamse, Brusselse en Waalse regering: “Voer statiegeld in op alle petflessen en blikjes”.

Lees ook: Gazet van Antwerpen, Pop-upwinkel met statiegeld in ruil voor petflessen geopend in Antwerpen, 15 november 2018
Bedrijf gebruikt zelf PET en wil het met statiegeld inzamelen
Het is opmerkelijk dat een groot bedrijf dat zelf PET-verpakkingen gebruikt, zich uitspreekt voor statiegeld. Deze pionier ziet als eerste in dat de belofte van “100% recyclebaar” pas realiteit wordt als de lege PET-verpakkingen ook écht ingezameld worden.
Meer dan 90% inzamelen kan enkel via statiegeld, dat toont de praktijk in Noorwegen en Duitsland. Zo vermijden we ook dat dit plastic op straat of in de natuur belandt.
8 op 10 Vlamingen willen de uitbreiding van statiegeld naar pet en blik. Ook ruim meer dan de helft van de Vlaamse gemeenten sloten zich aan bij de Statiegeldalliantie, die in totaal al 826 partners telt.
De deelname van bedrijven aan de Statiegeldalliantie onderstreept het zeer brede draagvlak ervan: gaande van steden en gemeenten, over consumenten- en milieuactivisten, veehouders, intercommunales tot bedrijven.
Nu voor het eerst een bedrijf dat zelf petflessen verkoopt, zich ook pro statiegeld uitspreekt, is het enkel nog wachten op de supermarkten, drankenproducenten en de gewestregeringen om deze populaire milieumaatregel in te voeren. Zodat onze zee plasticvrij en ons land proper wordt.

Zie ook: VRT Nieuws, Statiegeldalliantie opent pop-upwinkel in Antwerpen, 15 november 2018

Zie ook: ATV Nieuws, VIDEO Lever je PET-flessen in bij de Statiegeld Store en krijg 1 euro, 15 november 2018
Lees ook: De Standaard, Ecover schopt overheid geweten met ‘Statiegeld Store‘, 24 oktober 2018
Praktische informatie Statiegeld Store
Perscontact voor de Statiegeldalliantie: Tom Zoete E: tom.zoete@recyclingnetwerk.org M: +32 497 04 27 96
Perscontact voor Ecover: Wilma Schippens E: wilma@blyde.be M: +32 479 95 08 55
Dat heeft de Beroepsinstantie voor de Wet inzake Openbaarheid van bestuur (WOB) beslist na een beroep ingesteld door Recycling Netwerk Benelux.
De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij OVAM gaf aan KplusV de opdracht om alle 308 gemeenten te bevragen over hun zwerfvuilbeleid In het kader van het “Tweejaarlijks onderzoek zwerfvuil”. In totaal 118 Vlaamse gemeenten beantwoordden deze oproep.
De OVAM weigerde in oktober om de brondata voor twee studies over zwerfvuil te laten inkijken door milieuorganisatie Recycling Netwerk. De OVAM motiveerde haar weigering met onder andere het argument “de gevoeligheid van het thema zwerfvuil en het feit dat we ons 14 dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen bevinden”.
In de zwerfvuilstudie stonden de gegevens van de gemeenten, maar enkel in geaggregeerde vorm, waardoor je als lezer weinig wijzer werd over de situatie in de Vlaamse gemeenten. Het is bijvoorbeeld interessant om te zien of er best practices kunnen afgeleid worden uit specifieke situaties, die dan andere gemeenten kunnen helpen in de strijd tegen zwerfvuil.
Daarom vroeg Recycling Netwerk begin augustus om inzage in de datasets per gemeente, die aan de basis lagen van studies over zwerfvuil. De OVAM bezorgde twee Excel-documenten. Bij een van de documenten waren de namen van de gemeenten echter verwijderd.
Naast de verkiezingen gaf de OVAM ook nog als reden dat aan de gemeenten “steeds [is] gecommuniceerd […] dat hun individuele gegevens enkel zouden worden gebruikt om een globaal cijfer voor Vlaanderen te bekomen” en dat “stigmatisering” en daardoor zou volgens OVAM “de bereidheid om mee te werken aan dergelijke enquêtes [mogelijk] sterk dalen.”
De Beroepsinstantie bij het Departement Kanselarij en Bestuur heeft nu bepaald dat geen enkele van de in totaal 5 argumenten die de OVAM aandroeg, stand houdt.
De Beroepsinstantie stelt dat de OVAM niet kan aantonen dat de deelnemende gemeenten aan de enquête de aangereikte informatie uitdrukkelijk als vertrouwelijk hebben bestempeld. De beroepsinstantie geeft ook aan dat in de bevraging van KplusV aan de gemeenten “niets staat vermeld over de vertrouwelijkheid van de informatie.”
Recycling Netwerk heeft ook aan de beroepsinstantie gevraagd om zich uit te spreken over de trage termijn van 46 dagen waarbinnen de OVAM reageerde. De OVAM meende stelde op basis van de wet dat het 45 dagen mocht doen over een reactie, terwijl dat volgens Recycling Netwerk de OVAM binnen 30 dagen was de informatie had moeten vrijgeven.
Ook hier geeft de beroepsinstantie Recycling Netwerk gelijk en stelt vast “dat OVAM bij de berekening van de termijnen inderdaad een foutieve toepassing lijkt te maken van art. 20, § 2, derde lid en art. 20, § 3 van het openbaarheidsdecreet.”
Omdat de OVAM overduidelijk informatie achterhield op oneigenlijke gronden, rijst het vermoeden dat de informatie vooral niet werd vrijgegeven omdat de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht waren. Hierover zegt de beroepsinstantie diplomatisch dat die “argumenten […] geen aanknooppunt vertonen met het openbaarheidsdecreet.”
De beroepsinstantie geeft Recycling Netwerk dus gelijk over de hele lijn en beveelt dat OVAM de volledige datasets overmaakt.
Rob Buurman, directeur van Recycling Netwerk reageert: “het achterhouden van informatie ‘omwille van verkiezingen’ is uiteraard belachelijk en totaal misplaatst in het tijdperk van transparantie. Het is een goede zaak dat de beroepsinstantie bij het Departement Kanselarij en Bestuur meteen de OVAM terechtwijst. Het debat over de strijd tegen zwerfvuil moet in alle openheid en eerlijkheid kunnen gevoerd worden. De zwerfvuilcijfers mogen niet langer als staatsgeheimen bestempeld worden”.
De bestuursinstantie heeft de OVAM opdracht gegeven de volledige datasets aan Recycling Netwerk over te maken. De milieuorganisatie zal er een punt van maken om deze datasets zo openbaar en transparant mogelijk ter beschikking te stellen van iedereen.
Omdat de weigering over de zwerfvuilcijfers zo onbegrijpelijk is, diende Recycling Netwerk op 16 oktober een tweede verzoek in, om openbaarheid te krijgen over de OVAM-beslissingsprocedure die leidde tot de weigering.
Maar ook dat weigert de OVAM, zo laat de maatschappij weten op 31 oktober. Volgens OVAM is de beslissing “quasi volledig verlopen via mondelinge overlegprocessen”.
Het tweede argument om geen inzage te verschaffen in het beslissingsproces luidt als volgt: “De gevraagde informatie bevat een politieke afweging omtrent de vraag of, en in welke mate, de eerder gevraagde informatie openbaar dient te worden gemaakt”.
Rob Buurman reageert: “Na de bizarre verwijzing naar de verkiezingen, komt de OVAM hier dus weer aandraven met de stelling dat het om een ‘politieke afweging’ gaat!”
Terwijl de OVAM nota bene zelf inmiddels aan de beroepsinstantie heeft medegedeeld “dat het niet aan de OVAM is om te bepalen of informatie al dan niet (politiek) gevoelig is.” (Zie: uitspraak beroepsinstantie OVB/2018/247).
“Het is duidelijk niet de taak van de OVAM om allerlei ‘politieke afwegingen’ over zwerfvuilcijfers te maken. Als administratie wordt de OVAM in deze geacht om transparant te zijn en informatie desgevraagd te verschaffen. Politieke afwegingen horen thuis in de regering en het parlement. Het spreekt dus voor zich dat Recycling Netwerk tegen deze tweede weigering opnieuw in beroep gaat”, besluit Buurman.
Lees ook: Apache, OVAM houdt ‘politiek gevoelige’ informatie over zwerfvuil geheim, 2 oktober 2018
Lees ook: Apache, OVAM moet ‘politiek gevoelige’ cijfers over zwerfvuil vrijgeven, 6 november 2018
De plantentrays, zwarte bakjes van polystyreen waar enkele planten in passen, zijn single-use: wegwerpproducten die na 1 keer gebruik weggeworpen worden. Dit terwijl er al jarenlang een goedkoop alternatief bestaat dat herbruikbaar is. De single-use plantentrays kosten de Nederlandse plantentelers ook nog eens overmatig veel geld.
Elke dag verhandelen de Nederlandse bloemen- en plantenveilingen zo’n 12,6 miljard planten en bloemen. Dat is het aandeel van Royal FloraHolland, veruit de grootste aandeelhouder van de Nederlandse bloemenveilingen.
De bloemen worden verhandeld in herbruikbare emmers. De planten daarentegen worden verhandeld in voornamelijk single use plantentrays.
Naar schatting worden er in Nederland een half miljoen wegwerp-plantentrays gebruikt per dag, 180 miljoen per jaar. Dat leidt tot een afvalberg van 23.000 ton polystyreen-plastic, elk jaar opnieuw.
Dat polystyreen (PS) is heel moeilijk recyclebaar omdat de trays zonder statiegeld worden verspreid over duizenden winkels in vijftien landen. Na de verkoop van de planten blijven die winkels “zitten” met die trays die niet hergebruikt kunnen worden. Hoogstwaarschijnlijk komt dit polystyreen dus in het restafval terecht en wordt het gestort of verbrand in verbrandingsovens verspreid in heel Europa.
Opmerkelijk is dat dat er op de emmers waarin bloemen worden verhandeld wel statiegeld zit, waardoor die wel terugkeren naar de veiling.
De Nederlandse bloemenveilingen eisen dat de telers de planten aanleveren in plantentrays met het label “Normpack”. Die trays kunnen de telers enkel kopen bij een beperkt groepje van 6 plastic fabrikanten die een “licentie” hebben gekocht bij de Nederlandse bloemenveilingen, de facto is dat Royal FloraHolland. Modiform, eén van de zes producenten van single use plantentrays, heeft een marktaandeel van ongeveer 70 procent.
De bedrijven met licentie vragen aan de telers ongeveer 25 eurocent per plantentray. Elk jaar worden naar schatting voor 180 miljoen plantentrays aan wegwerp plantentrays gekocht in Nederland. Het gaat dus om een miljoenenbusiness.
Opmerkelijk is dat de veilingen in België (bvb. de veiling in Wetteren) of Duitsland (bvb. de veiling in Düsseldorf) géén systeem met keurmerken of licenties hanteren. De Belgische en Duitse veilingen geven enkel specificaties op waar de trays aan moeten voldoen. Het Nederlandse systeem is dus eerder een uitzondering. Een veiling kan perfect specificaties voor verpakkingen hanteren zonder dat er een verdienmodel met een licentie aan vast hangt.
Lees ook Follow the Money: Bloemenveiling verdient miljoenen aan plastic afvalberg, 3 nov 2018
De trays zijn single-use: ze kunnen slechts eenmaal gebruikt worden. Nochtans bestaan er al sinds de jaren negentig herbruikbare trays, onder de naam Floratino. Voormalig staatssecretaris Sharon Dijksma kreeg er vragen over in de Tweede Kamer en vroeg een studie.
In een document van de Plastic Soup Foundation staat dat jaarlijks 1700 ton Normpack plantentrays via de veilingen naar recycler Morssinkhof gaat. Maar dat zou slechts 7,3% van het totale volume zijn.
De bloemenveilingen hebben zelf een rapport gemaakt over de milieu-impact van single-use versus herbruikbaar. In 2017 publiceerde FloraHolland een samenvatting van een studie naar de wegwerp-plantentrays en herbruikbare plantentrays op deze website. Maar ze maken het volledige rapport niet openbaar. De politieke wereld verwachtte dit nochtans. Sharon Dijksma heeft in de Tweede Kamer gezegd dat ze van de sector dat rapport zou krijgen.
Uit de samenvatting van de studie blijkt dat herbruikbare trays tenminste 3x milieuvriendelijker zijn dan wegwerptrays. Maar uit eerdere analyses door CML en TNO blijkt het verschil groter te zijn.
Wij stellen ons de vraag waarom de bloemenveilingen al decennia lang vasthouden aan de dure wegwerpverpakkingen, terwijl er een goedkoop herbruikbaar alternatief bestaat. Waarom houdt de sector vast aan de gekke financieringsconstructie waarbij wegwerp ingebakken zit in het verdienmodel? Het is een niet-transparant verdienmodel waarvan de telers niet precies weten hoe het zit. In deze tijden van plastic soep en een steeds groeiende afvalberg is het dringend dat ook deze sector overschakelt op herbruikbare verpakkingen en trays. Zodat de plastic afvalberg kan verkleind worden.
De bloemen- en plantensector is deel van de Nederlandse trots. Het is dan ook belangrijk dat deze sector een voorbeeldige rol speelt in de verduurzaming van onze economie. Het omschakelen van wegwerp plastic trays naar herbruikbare modellen is een noodzakelijke stap om de plastic afvalberg van Nederlands bloemenveilingen tot aanvaardbare proporties te brengen.
Lees ook:
De impact op de Europese afvalindustrie is dus zeer groot. Het afvoerputje zit definitief verstopt. De Europese regeringen moeten van deze crisis een opportuniteit maken om het afvalbeleid te hervormen zodat het meer bijdraagt tot een gezonde leefomgeving.
De export van afval naar China nam in de jaren 1990 een hoge vlucht. De meeste plastics werden in China met de hand gesorteerd op duizenden kleine vuilnisbelten met afval. Soms werd het plastic gerecycled en keerde terug naar Europa in de vorm van goedkope prullen. China tolereerde lange tijd de nadelen van dit afval, zoals lokale vervuiling van gronden en rivieren en de slechte arbeidsomstandigheden temidden giftige stoffen. Dit kwam in de aandacht door de documentaire Plastic China.
De Chinese economische groei zorgt ervoor dat ze dergelijke opofferingen niet langer hoeven te maken. Er wordt binnen China ook steeds meer geconsumeerd, en de overheid wil meer recycling (350 miljoen ton tegen 2020) van die binnenlandse stromen halen. De milieuvervuiling en de volksgezondheid speelden ook een rol bij de beslissing.
China waarschuwde de Wereldhandelsorganisatie in juli 2017 dat het een campagne zou starten tegen yang laji, buitenlands afval. Het Chinese importverbod ging van start op 1 januari 2018 en maakte een einde aan de decennialange invoerpraktijken.
Het Chinese verbod behelst veel types plastic (PET, PE, PVC, PS, en “andere” plastics), textiel, ongesorteerd gemengd papier en andere materialen. 24 stromen en dan zeker een aantal plastics komen het land niet meer in. De eisen worden streng. Gemixte plastics maar ook uitgesorteerde monostromen, worden niet meer geaccepteerd. Het gaat dan om plastics van huishoudens maar ook van bedrijven.
China gaat daarmee verder op een trend die eerder werd ingezet. In 2013 legde het programma “Green Fence” kwaliteitsnormen op de import van recyclebaar materiaal. De recentere “National Sword”-campagne richtte zich tegen illegale import van afval.
46% van alle plastic afvalexport in de wereld ging in 2016 nog naar China.
Europa exporteerde het meeste afval naar China. Europa exporteerde 2,9 miljard ton plastic afval naar China. Dat is 40% van het Europese plastic afval. Maar tegelijkertijd wordt een deel van wat we hier recycling noemen naar cementovens gestuurd. Als we dat niet meetellen, dan werd zeker de helft van de plastics in Europa naar China gestuurd voor recycling. De afvoer naar China werd handig gebruikt om de Europese recyclingcijfers kunstmatig beter te doen ogen.
België en Nederland zitten in de wereldtop als het gaat over de export van plastic afval. Beide landen nemen elk 4 procent van de wereldhandel in plastic afval voor hun rekening. Daarmee exporteren ze meer afval dan landen als Frankrijk, Spanje Canada of Mexico (Harvard University, The Atlas of Economic Complexity). Belgë en Nederland horen overigens ook bij de top-5 plastic-afvalimporteerders (studie van 2014).
Het importverbod zal op korte termijn tot een drietal problemen leiden: meer verbranding, meer storten en meer olie richting plastics.
We zien nu al dat plastics worden opgeslagen. Begin december 2017 ontstonden reeds afvalbergen van plasticfolie bij Vlaamse afvalintercommunales.
De Vlaamse Openbare Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) heeft geen precieze cijfers voor Vlaanderen over het transport naar China, maar schat dat het jaarlijks om 40.000 tot 50.000 ton ging.
Het wordt duurder voor afvalintercommunales om bepaalde plastics kwijt te raken. Sommige vinden zelfs geen afnemers meer. Recyclagebedrijven en afvalintercommunales gaan door een bijzonder moeilijke periode, aldus zegt Christof Delatter, die voor de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) het afvalbeleid opvolgt.
Ook de talrijke brandende afvalbergen in Polen worden door de Poolse overheid gelinkt aan het Chinese invoerverbod.
Zeker de laagwaardige plastics, die moeilijker toe te passen zijn, en waar minder vraag naar is, brengen steeds minder op. Omdat China zo lang een oplossing voor de recyclage van bepaalde plastics bood, is er in Europa geen recyclagecapaciteit. We hebben in Europa te weinig verwerkingscapaciteit ervoor en het wordt heel erg duur om er van af te raken. Dus het wordt opgeslagen.
Nederland is een van de grootste importeurs en exporteurs van plastics. Via Hamburg, Rotterdam en Antwerpen vertrekken veel plastics naar China.
In Nederland zal de inzameling nog wel even doorgaan, maar de plastics worden in hangars opgeslagen en die zullen steeds voller gaan raken. Het risico bestaat dat besloten wordt om ze te gaan verbranden. Of ergens anders naartoe exporteren, hopend dat ze daar wel gerecycled gaan worden.
In veel plekken is dit een motivatie om extra verbrandingsovens bij te bouwen of de plastics te storten. Wat helemaal zonde is.
De Europese Commissie kwam op 17 januari met haar Plastic Strategy en op 28 mei met het verbod op een aantal single-use plastic producten en het voorstel om naar 90% selectieve inzameling van petflessen te gaan, bijvoorbeeld door statiegeld in te voeren. Dat zijn goede eerste stappen. Maar er zal meer nodig zijn om de zeeën en de leefomgeving in Europa te beschermen tegen de effecten van afval.
Het zijn waardevolle grondstoffen die geëxporteerd werden. Maar omdat het gaat over honderden soorten verschillende plastics is het heel moeilijk om dit goed te verwerken.
We moeten de recycling in Europa hervormen en reorganiseren, legt Recycling Netwerk-directeur Rob Buurman uit bij VPRO Bureau Buitenland naar aanleiding van het Chinese importverbod.
1. De beste aanpak is nog altijd het probleem aan de bron aanpakken.
1.1. We moeten het met minder verpakkingen doen. De productie moet weg van wegwerp en veel meer naar herbruikbare producten evolueren.
1.2. Het automatisme om plastic rotzooi bij te maken moet we uitbannen. McDonalds, plastic rietjes, oververpakking, ballonnen, plastic bekers, plastic wegwerpflessen, overdaad aan plastic verpakkingen die uit heel veel verschillende kleuren bestaan en verschillende materialen moeten geband worden.
2. Daarnaast moet het beleid veel meer richten naar hoogwaardige recycling. We zeggen het al jaren, en nu zien we dat de bedrijven het ook beginnen te zeggen.
2.1. In Nederland wordt nog alles gezamenlijk ingezameld. Veel wordt naar Duitsland gestuurd om uiteindelijk richting China te gaan. Dat spul gaan we nu niet meer kwijtraken. We moeten toe naar stromen die veel beter te recyclen zijn.
2.2. Het design van verpakkingen is dan ook belangrijk. Op dit moment doen producenten van plastic verpakkingen heel weinig om hun verpakkingen duurzamer te maken. De milieu-impact van de verpakkingen zelf moet omlaag.
2.3 Één belangrijk instrument is om te zorgen dat plastics verplicht voor een belangrijk deel uit gerecyclede plastics bestaan. Zo krijgen recyclingbedrijven de opdracht om beter materiaal aan te leveren en gaan producenten ook betere verpakkingen op de markt brengen omdat het voor henzelf belangrijk is dat die verpakkingen straks ook weer worden gerecycled.
Voor PET, dat wordt bijvoorbeeld in schaaltjes gebruikt, kan de CO2-voetafdruk van het materiaal met 80% omlaag als gerecycled plastics worden gebruikt. Maar op dit moment zijn – flessen en enkele verpakkingen uitgezonderd – bijna geen van de verpakkingen die je in de AH kan kopen, gemaakt van gerecycled materiaal. Daar is dus steeds nieuwe olie voor nodig. Eigenlijk moet de overheid zeggen: vanaf nu gaan we verplichten dat producenten voor verpakkingen gerecycled materiaal gaan gebruiken.
2.4. Daarnaast: hele sterke tariefdifferentiatie. Als jouw verpakking of product niet wordt gerecycled of enkel wordt gedowncycled, dan moet je een veel hoger tarief voor betalen.
2.5. Ook het uitbreiden van statiegeld naar kleine plastic flesjes (en blikjes) wordt dringender. Die worden dan veel beter gerecycled – en richten geen schade meer aan in het milieu. Op dit moment wordt slechts een bescheiden deel van de plastic flesjes goed ingezameld en gerecycled. (Ook van de blikjes gaat veel verloren en worden geen nieuwe blikjes van gemaakt). Statiegeld zorgt voor veel meer recycling. In Duitsland zelfs 98%.
Er is zeker urgentie om maatregelen te nemen tegen de plastic stroom nu de Chinese afvoerbuis definitief verstopt zit. Statiegeld kan snel ingevoerd worden. De hervorming van het brede afvalbeleid zal meer tijd vragen. Daarom mag er echt niet langer getreuzeld worden met studies allerhande.
De regeringen in Nederland, België en de rest van Europa kunnen deze Chinese afvalcrisis als een bedreiging of een crisis zien. Maar wij vinden dat de regering hier een mooie opportuniteit voor het Europese bedrijfsleven van moet maken. De overstap maken naar de circulaire economie kan extra jobs creëren in recycling, engineering en research. Zo kan de crisis in een opportuniteit worden gekeerd.
Related media:
Al Jazeera, Global waste industry rocked by China import ban, 24/09/2018
Onderzoekers van Vrije Universiteit Amsterdam (NL), University of Notre Dame (VS) en de Amerikaanse non-profit onderzoeksinstelling Ecology Center hebben ftalaten, gefluoreerde vlekwerende stoffen en gehalogeneerde vlamvertragers gevonden in Europese tapijten. Sommige van deze stoffen hebben gekende carcinogene, reprotoxische en hormoonverstorende effecten of worden ervan verdacht.
NGO Health and Environment Alliance (HEAL) wijst op de gaten in de Europese wetgeving. Zo is het ftalaat DEHP in de EU verboden sinds 2015, maar geldt een uitzondering op het gebruik in gerecycled PVC van tapijten. Verder zijn gechloreerde vlamvertragers strikt gereguleerd onder de Toys Safety Directive, maar niet in tapijten, ondanks de blootstelling aan baby’s en kleine kinderen.
“De Europese Unie moet waterdichte wetgeving ontwikkelen op het raakvlak tussen toxiciteit en recycleerbaarheid, zodat het milieu en de gezondheid er beter van wordt”, zegt ook milieuorganisatie Recycling Netwerk Benelux.
Naast de potentiële gezondheidsrisico’s voor consumenten, is de aanwezigheid van toxische stoffen ook een obstakel om tot meer tapijtrecycling te komen. “Als een verwerker niet weet welke stoffen er in een tapijt zitten, zal hij aarzelen om het te recyclen. Naast de risico’s worden verwerkingskosten te hoog. Bovendien hebben contaminaties een negatief effect op de kwaliteit van het recyclaat. Hierdoor kan het noch op veiligheid, noch op prijs, noch op kwaliteit concurreren met ruwe grondstoffen. Dit hindert de weg naar een veilige en werkbare circulaire economie”, legt Siu Lie Tan van Recycling Netwerk uit.
In het rapport Testing for Toxics: How chemicals in European carpets are harming health and hindering circular economy tonen de testen van de drie onderzoeksinstellingen zorgelijke, maar ook hoopvolle bevindingen. Er zijn stoffen aangetroffen, die volgens EU-regelgeving aan banden gelegd zouden moeten zijn. Desalniettemin waren drie tapijten volledig vrij van de onderzochte, toxische stoffen. Twee hiervan bevatten zelfs gerecycled materiaal en zijn circulair ontworpen. “Dat toont dat het echt wel mogelijk is om, zelfs met gerecyclede materialen, een mooi tapijt te maken zonder toxische stoffen te hoeven gebruiken. Dat tapijt is dan opnieuw te recyclen”, benadrukt Siu Lie Tan.
De voorstellen die de Europese Commissie voorbereidt voor een Europese Richtlijn over het raakvlak tussen wetgeving voor chemische stoffen, producten en afval, is het moment om deze problematiek aan te pakken. “Dit is broodnodig. Onlangs toonde ook een grote Duitse overheidsstudie aan dat een derde van de chemische stoffen in Europa niet voldoen aan Europese veiligheidsregels. Gerecyclede materialen moeten voldoen aan dezelfde chemische vereisten als producten gemaakt uit ruwe grondstoffen”, besluit NGO Recycling Netwerk.
De tapijtenmarkt
Europa is na de VS de tweede grootste markt voor tapijten ter wereld en huist een aantal van de grootste tapijtfabrikanten. Er wordt geschat dat 47% van de vraag naar tapijt in de EU geleverd wordt door productie uit Nederland en België.
Ook is de schatting dat van de 1,6 miljoen ton tapijtafval per jaar minder dan 3% gerecycled wordt in de EU – wat betekent dat ruim 97% wordt verbrand of gestort. Het recyclingpercentage zou op een veilige manier omhoog moeten om te voldoen aan de EU-doelen voor een circulaire economie, zoals de recycling van 65% gemeentelijk afval tegen 2030. Daarnaast biedt het efficiënt aanwenden van circulariteit, door het zo hoogwaardig mogelijk inzetten van afval, een groot potentieel om een positieve bijdrage te leveren aan het behalen van klimaatdoelstellingen.
Over Recycling Netwerk Benelux
Recycling Netwerk is een zelfstandige milieuorganisatie en werkt rond het thema van grondstoffen en de impact ervan. Ons doel is het zoveel mogelijk beperken van de milieuschade die wordt veroorzaakt vanaf de grondstofproductie tot en met het afvalbeheer. Daarom wil ons Netwerk ook: steeds meer en steeds betere recycling.
Perscontact:
Siu Lie Tan, Project-coördinator Recycling Netwerk, siulie.tan@recyclingnetwerk.org +31 6 48977349
Tom Zoete, Communicatie Recycling Netwerk, tom.zoete@recyclingnetwerk.org +31 6 16101050
Over HEAL
Health and Environment Alliance (HEAL) is de toonaangevende organisatie zonder winstoogmerk die de invloed van het milieu op de volksgezondheid binnen en buiten de Europese Unie (EU) aanpakt. HEAL streeft ernaar om vorm te geven aan wetgeving en beleidslijnen die de gezondheid van de planeet en haar bevolking bevorderen en diegenen beschermen die het zwaarst worden getroffen door vervuiling. De alliantie wil het publiek ook bewust maken van de voordelen van milieumaatregelen voor de volksgezondheid. HEAL’s inschrijvingsnummer in het EU Transparantieregister: 00723343929-96. Meer informatie: www.env-health.org
Voor beeldmaterialen en link naar Engelstalig rapport (vanaf 30 oktober toegankelijk).
The Commission’s proposal was massively supported by the European Parliament last Wednesday. But the Austrian presidency tries to weaken the 90% target for plastic-bottle collection in 2025 to a much lower 75% , an official document leaked to Politico shows.
Lowering the 90% target for plastic bottles for 2025 would have severe effects on the Directive. Bottles are among the litter most found on beaches. They represent 40 percent of the volume of Europe’s litter.
Strong support from Commission and Parliament
The Commission proposes that Member States achieve a 90% separate collection target by 2025. This is good because it will keep bottles out the of environment. Furthermore, the target is achievable in percentage and within the established timeline. Lithuania has seen its bottle collection rates surge since it established a deposit return system in February 2016: in that same year, it already achieved a total return rate of 74%. By the end of 2017, they reached a return rate of 91.9%
Last Wednesday, the Directive got an overwhelming majority in the EU Parliament, 571 votes in favour on a total of 624, that means 91 per cent of the MEPs supports it. During the plenary session of the EP, not one political group tabled a single amendment to debate the bottle collection target. In fact, EU Parliament added a 35% recycled content target – which even strengthens the demand for a effective separate collection. Parliament and the Commission both have been receiving much praise for this by citizens and environmental NGOs throughout Europe.
Numerous Member States support the 90% target in 2025 in the Council
In the Council as well, many Member States are generally supportive of the Directive as proposed by the Commission and Parliament, and welcome its ambitions to tackle the plastic soup, including the 90% collection target for plastic bottles in 2025.
That is why one suggested revision from the current Austrian Presidency stands out. Their amendment on Article 9 decreases the ambitions on separate collection and is undermining the intended environmental impact of the SUP Directive.
Instead of aiming for a 90% separate collection target in 2025, the Presidency chooses to implement an intermediate step. Member States will have to collect only 75% of plastic bottles in 2025. The 90% target only has to be reached in 2030.
12 more years of plastic pollution
That is 12 years from now. Given the billions of plastic bottles sold every year, that means a huge amount of plastic will continue to pollute our seas. There is no rational justification to decrease the target in percentage or to expand the timeline. Yet, the Austrian Presidency is doing both.
What is perhaps most striking, is that sources at the European level say that the Austrian Presidency has drawn up this revision without a majority support in the EU Council. Numerous Member States are in fact supporting the 90% separate collection target in 2025 that was proposed by the Commission and supported by Parliament.
As an environmental NGO, we strongly recommend that the Commission’s target of 90% separate collection that received tremendous support in the EP will be held up integrally, without watering down and without delays. The plastic soup in our seas just can’t wait.
“Nederland en België nemen op dit moment het voortouw in de gesprekken voor een sterke Richtlijn. Binnen sommige partijen, zoals de Europese Volkspartij (EVP) is er echter ook weerstand tegen enkele maatregelen. We hopen dat de Nederlandse en Belgische vertegenwoordigers binnen de EVP, zoals Annie Schreijer-Pierik (CDA) en Ivo Belet (CD&V), een progressief geluid zullen laten horen in hun fractie”, zeggen Rob Buurman en Suze Govers van Recycling Netwerk.
De tekst waarover de plenaire dinsdag stemt is behoorlijk. Het basisvoorstel van single-use plastic Richtlijn van de Europese Commissie was stevig. Ondanks stevige lobbying van de plasticindustrie, heeft de Europese milieucommissie Envi onder leiding van Belgisch Europarlementslid Frédérique Ries (MR, ALDE) de tekst op een aantal punten verstevigd.
Zo steunt de milieucommissie de 90 procent gescheiden inzameling van plastic flessen en de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor de kosten van het opruimen van plastic zwerfafval. Dat is goed, want die rekening (in Nederland bijvoorbeeld jaarlijks 250 miljoen en in Vlaanderen 164 miljoen euro) komt nu grotendeels terecht bij de gemeenten, en dus de belastingbetalers.
Achterpoorten
De plenaire van het Europees Parlement dient wel nog een achterpoort in de wetgeving te sluiten. “Door een slechte definitie van ‘single-use plastic’, kunnen producenten besluiten hun wegwerp-producten als fake ‘herbruikbaar’ te labelen, en zo de hele Richtlijn ontwijken. Als het Europees Parlement zichzelf ernstig neemt, sluit het deze achterdeur”, zegt Suze Govers van Recycling Netwerk Benelux.
Het wordt ook uitkijken voor plastic-lobbywerk rond wegwerp bestek en borden. Het Commissie- en Envi-voorstel verbiedt deze. De Italianen proberen om een uitzondering te creëren voor wegwerp bestek en borden in zogenaamde ‘closed loop systems’. Scandinavische landen met een sterke papierindustrie, zoals Zweden, proberen dan weer de wegwerp papieren producten met een plastic laagje uitgezonderd te krijgen van de hele Richtlijn.
De frisdrankenindustrie lobbyt hevig tegen het Commissie-voorstel dat doppen aan plastic flessen vast moeten zitten. Ze heeft bereikt dat het Envi-voorstel enkele jaren uitstel geeft aan dranken met prik. Maar nu lobbyen frisdrankproducenten zoals Coca-Cola, Pepsico en Nestlé om de maatregel geheel te schrappen. Nochtans bestaat de techniek om doppen vast te maken aan flessen al lang. Het is een zeer doeltreffende maatregel om de flessendoppen, één van de meest gevonden items op de Europese stranden en zeeën, aan te pakken. Zeker in combinatie met de doelstelling voor 90% gescheiden inzameling van plastic flessen, en dus doppen, zeggen Recycling Netwerk en de andere Europese milieuorganisaties in koor.
Europese Raad
In de Europese Raad verzetten enkele Oost-Europese landen zich nog tegen de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en de 90% gescheiden inzameling. Zij pleiten voor een afzwakking. Dat zou echter betekenen dat de plastic vervuiling nog jaren doorgaat. We hopen dat Nederland en België met hun voortrekkersrol andere lidstaten kunnen overtuigen om de plastic vervuiling van onze zee te stoppen, besluit Recycling Netwerk Benelux.
Recycling Netwerk Benelux, Friends of the Earth, Zero Waste Europe, CIEL en Surfrider Foundation zijn samen met andere Europese milieuorganisaties in Brussel om te pleiten voor een sterke Richtlijn die de plastic soep echt aanpakt.
Lees hier ook onze in-depth analysis van het politieke proces rond de single-use plastic richtlijn.
Verontruste ouders, die verenigd zijn in de Stichting ‘Kom van dat gras af’, ontdekten dat verschillende websites zonder schroom het rubbergranulaat aanbieden. Dat rubbergranulaat op sportvelden veroorzaakt milieuvervuiling, bleek uit onderzoek van het RIVM. Bij verkoop aan particulieren zijn de risico’s op vervuiling dus nog groter.
Gemeenten die rubbergranulaat op sportvelden gebruiken, worden geacht een hele reeks voorzorgsmaatregelen te nemen. Die zijn vastgelegd in het Zorgdocument. Desondanks vervuilt het granulaat op sportvelden de omgeving. De normen van het Besluit Bodemkwaliteit werden bij maar liefst 9 van de 10 onderzochte sportvelden overschreden, stelde onderzoek van het RIVM vast in juli.
Bij verkoop aan particulieren wordt over de criteria in het Zorgdocument niet gesproken. Sterker nog, de verkopende websites promoten het materiaal als zijnde “milieuvriendelijk en duurzaam”. Dat rubbergranulaat riskeert dus zonder voorzorgsmaatregelen uitgestrooid te worden, en zo nog meer milieuschade te veroorzaken.
Hoewel plastics van kleiner dan 5 mm onder de definitie microplastics vallen, kon zonder enig begeleidende waarschuwingen rubbergranulaat van 0,5-2 mm aangekocht worden op consumentenwebsite ZwartGroen (zie voorbeeld van factuur).
Buiten het uitlogen van gevaarlijke stoffen om, veroorzaakt een dergelijk product zo per definitie verontreiniging door microplastics in tuintjes van onwetende consumenten. Wanneer deze bijvoorbeeld zijn huis zou willen verkopen en een schoongrond-verklaring moet overleggen, zal dat problematisch worden.
Recycling Netwerk Benelux: “Dit is bijzonder zorgwekkend. Het RIVM-onderzoek betrof kunstgrasvelden die aangelegd zijn onder toezicht van gemeenten. En zelfs die kunstgrasvelden vertonen grote problemen voor het milieu. Terwijl ze in principe de voorzorgsmaatregelen van het door de bandenindustrie opgestelde Zorgdocument moeten opvolgen om milieuschade te voorkomen. Bij uitstrooiing op veldjes en tuinen door particulieren moet je het ergste vrezen voor de om- en onderliggende bodem. Te meer, omdat de verkopende partijen geen enkele voorzorgsmaatregelen communiceren om milieuschade te voorkomen. De rubbersnippers worden zelfs verkocht als zijnde milieuvriendelijk”.
Op de site van die bedrijven is de herkomst van het aangeboden rubbergranulaat onbekend, laat staan de chemische componenten, die erin zitten.
Met een paar muisklikken kan gemakkelijk een bestelling rubbergranulaat gedaan worden. Dat rubbergranulaat is ook nog eens heel fijn 0,5 tot 2 millimeter groot. De definitie van microplastics is alles wat kleiner is dan 5 millimeter. “Wat we hier dus hebben, is dat een portie extreem vervuilende microplastics zomaar kunnen besteld worden op een Nederlandse website. En de overheid doet niks”, zegt Recycling Netwerk
Recycling Netwerk kaartte de “vrije verkoop” van zakken met rubbergranulaat vorig jaar expliciet aan in het eerste handhavingsverzoek. Ook in de pleitnota op de hoorzitting van augustus 2017 werd hier nadrukkelijk aandacht voor gevraagd (zie het laatste punt).

.
“De overheid moet werk maken van een moratorium op de verkoop van versnipperde autobanden voor uitstrooiing op kunstgrasvelden. Voor particulier gebruik, maar eveneens voor gebruik door overheden. Het is duidelijk dat er geen controle is over de verschillende toepassingen – en daardoor de milieuschade”, aldus de milieuorganisatie.
“Die autobanden zijn gewoon afval. Producenten doen niets om schadelijke stoffen aan het materiaal te onttrekken. Door het te versnipperen wordt er een nieuw etiket op geplakt. Maar het blijft afvalstort dat schadelijk is voor de leefomgeving. Het is te gek voor woorden dat dit vrij verkocht mag worden in Nederland”, besluit de milieuorganisatie.
Milieuorganisatie Recycling Netwerk verzocht eerder de Inspectie Leefmilieu en Transport om te handhaven, ook op de vrije verkoop aan consumenten.
Enkele voorbeelden van hoe misleidend de verkoop van rubbergranulaat en -snippers aan consumenten gepresenteerd wordt:
Aanmelding bij Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)


Bestellingsbevestiging van rubbergranulaat
“Robbert van Duin is de nachtmerrie van de plasticindustrie en het verpakkende bedrijfsleven”, schrijft Trouw: “Van Duin is al heel lang bezig (…) Dat hij nu als nieuwkomer in de lijst staat, komt door zijn niet aflatende bemoeienis met de statiegelddiscussie”.
Voor het eerst staat Robbert van Duin (1951) in de Duurzame 100. “Toch leuk op je 67ste”, bekent hij in een interview met Trouw-journalist Joop Bouma. Van Duin is de oprichter van de milieuorganisatie Recycling Netwerk Nederland, recentelijk uitgebreid tot Recycling Netwerk Benelux, want de afvalproblemen zijn in de buurlanden niet minder nijpend dan in Nederland.
“Hij is de nachtmerrie van de plasticindustrie en het verpakkende bedrijfsleven”, schrijft Trouw. “Zijn organisatie weet met een slimme aanpak heikele thema’s op de publieke en politieke agenda te krijgen – en altijd precies op de momenten dat de kwesties in Den Haag of in Brussel spelen. Of het nu gaat om uitbreiding van statiegeld of om verontreinigende, versnipperde autobanden op sportvelden, Van Duins Recycling Netwerk bepaalt de discussie”.
Lees ook: Trouw, Optimist Robbert van Duin is de nachtmerrie van de plasticindustrie
Op zaterdag 10 maart 2018 informeerde staatssecretaris Stientje van Veldhoven de Tweede Kamer middels een brief over de invoering van statiegeld op plastic flesjes en over het circulair maken van de verpakkingsketen met de Raamovereenkomst Verpakkingen als focuspunt. Diezelfde zaterdag stond in Trouw een groot interview met de staatssecretaris over de invoering van statiegeld op plastic flessen.
In het interview maakt Van Veldhoven zich sterk dat de aanpak “linksom of rechtsom, gaat lukken.” In het voorjaar van 2021 zal er statiegeld op kleine plastic flessen met water en frisdrank zitten, staat in de brief aan de Tweede Kamer, tenzij het bedrijfsleven erin slaagt om het aantal flesjes in het milieu met 70 tot 90% terug te dringen én 90% van de kleine plastic flessen weet te recyclen.
Dit artikel is een uiteenzetting van de beslissing van de staatssecretaris en het tijdspad richting het voorjaar van 2021, op welk moment kleine plastic flesjes voorzien moeten zijn van statiegeld indien het bedrijfsleven de doelstellingen niet haalt. Het artikel bespreekt de context waarin de beslissing tot stand kwam en de politieke discussie die daarop volgde. Daar waar er nog onduidelijkheden zijn betreffende het proces tot en met het voorjaar 2021, probeert het artikel die zo zorgvuldig mogelijk aan te stippen.
Om de brief van de Staatssecretaris te duiden, is het nuttig om eerst terug te blikken op het ontstaan van de zogenaamde ‘petitiemotie’ van de Plastic Soup Surfer. In 2016 startte Merijn Tinga, alias de Plastic Soup Surfer, namelijk een handtekeningenactie om als burgerinitiatief het onderwerp statiegeld op de agenda te krijgen van de Tweede Kamer.

Met 55.000 snoephartjes trok Merijn op 14 Februari 2017 naar de Tweede Kamer en bood hij evenveel handtekeningen aan aan de politiek. De aanwezige politici waaronder Agnes Mulder (CDA), Carla Dik-Faber (CU), Liesbeth van Tongeren (GroenLinks), Henk Krol (50PLUS), Stientje van Veldhoven (D66), Erik Ziengs (VVD), Tjeerd van Dekken (PvdA), Eric Smaling (SP) en Esther Ouwehand, werden ter plekke ook gevraagd of ze zich wilden scharen achter de doelstelling om 90% minder plastic flessen in het milieu in 3 jaar tijd te realiseren. Die doelstelling werd door alle aanwezige politici onderschreven.
Twee dagen later, op 16 februari 2017, vond het terugkerende Algemeen Overleg Circulaire Economie plaats. Het was het laatste ‘AO’ voor de verkiezingen van 15 maart 2017. Op de agenda stond onder meer het initiatief van de Plastic Soup Surfer. In dat overleg verwees Eric Smaling (SP) naar de actie van Merijn als zijnde de ‘petitiemotie’ en in hetzelfde overleg zegde voormalig staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA) toe dat de regering de doelstelling van die ‘virtuele motie’ zou overnemen, waarmee er waarschijnlijk ook meteen sprake was van een unicum in de parlementaire geschiedenis. Dijksma zegde ook toe om tegen het najaar 2017 met een voorstel te komen over 90% reductie kleine plastic flessen in het zwerfafval in 3 jaar tijd. Dijksma stelde ook dat de brede steun voor de doelstelling betekent dat de Tweede Kamer vraagt om extra maatregelen.
In de brief van 23 mei 2017 gaat staatssecretaris Dijksma in op de uitvoering van de ‘petitiemotie’. Daarin geeft ze ook aan dat prijsprikkels zoals statiegeld niet onbesproken kunnen blijven om de doelstelling te halen. De staatssecretaris stelde ook tegen eind 2017 een onderbouwde uitspraak te kunnen doen over de de haalbaarheid van de petitiemotie. Tegen die tijd zou ook de lopende studie naar de kosten en effecten van statiegeld afgerond moeten zijn.
Het kabinet Rutte III werd op 26 oktober 2017 beëdigd, waarmee ook staatssecretaris Sharon Dijksma werd opgevolgd door Stientje van Veldhoven.
Op 31 augustus 2017 informeerde Dijksma de Tweede Kamer via een brief over de studie “Kosten en effecten van statiegeld op kleine plastic flessen en blikjes.” De studie was toegezegd in het AO Circulaire Economie van 5 oktober 2016 en werd uitgevoerd door CE Delft.

De brief beschrijft kort enkele resultaten van de studie die specifiek ingaat op de Nederlandse situatie waarbij gedacht wordt aan uitbreiding van het huidige systeem. De onderzoekers concluderen dat statiegeld op kleine flessen en blikjes leidt tot een afname van die producten in het zwerfafval in de range van 70 tot 90%. De brief geeft ook aan dat de kosten van de uitbreiding van het een statiegeldsysteem “kunnen variëren van € 10 mln tot € 110 mln per jaar afhankelijk van de gekozen variant.”
Geen van de bovengenoemde inkomsten en kostenbesparingen staan vermeld in de brief van Dijksma, die daarom een onvolledig en vertekend beeld gaf van de werkelijke baten en kosten van de invoering van statiegeld.
De analyse van CE Delft dat statiegeld leidt tot 70% tot 90% minder flesjes en blikjes in het zwerfafval, is belangrijk. De range is gebaseerd op metingen uit de Verenigde Staten en Denemarken. De studie van CE Delft heeft niet gepoogd te verklaren waarom de effectiviteit van statiegeld in de verschillende Amerikaanse staten en Denemarken verschilt, maar dat kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van de hoogte van het statiegeldbedrag en het gemak waarmee de flesjes en blikjes kunnen worden ingeleverd.
Door de studie van CE Delft is statiegeld het enige middel waarvan is vastgesteld dat het de doelstelling uit de ‘petitiemotie’ van 90% minder flesjes in het zwerfafval in 3 jaar tijd, kan realiseren, eventueel met aanvullend flankerend beleid indien de effectiviteit onder de 90% valt.
De brief van 23 mei 2017 spreekt ook over een ander type prijsprikkel dan statiegeld. Onder de noemer van Schoon Belonen hebben Stichting Natuur & Milieu, VNG en het verpakkende bedrijfsleven het initiatief genomen om beloningssystemen voor flesjes en blikjes in de praktijk te testen. Daarbij kregen scholen en verenigingen een collectieve vergoeding of een tegenprestatie voor de flesjes en blikjes die zij inzamelden. 102 gemeenten hebben zich voor de pilot aangemeld en uiteindelijk hebben 77 gemeenten effectief deelgenomen volgens de initiatiefnemers.

In de brief van 18 juni 2015 aan de Tweede Kamer spreekt staatssecretaris Wilma Mansveld (PvdA) voor het eerst over een landelijke aanpak zwerfafval. Onderdeel van die aanpak is de ontwikkeling van een retourpremiesysteem voor kleine PET-flesjes en blikjes. In de brief zegt Mansveld dat “aan alle partijen [is] gevraagd na te denken over een creatieve aanpak voor de kleine PET-flesjes en blikjes. In een bijlage bij de brief (“Voorstel verpakkingscoalitie”, datum: 16 juni 2015) stellen het Afvalfonds, VNG, NVRD en Stichting Natuur & Milieu voor om vóór 1 oktober 2015 een plan van aanpak voor te stellen, waarin de betrokken partijen “verschillende uitgebreide experimenten in buurten, wijken en dorpen uitvoeren voor de inzameling van kleine PET-flesjes, drankenblikjes en eventueel andere verpakkingsmaterialen.” Op basis van deze pilot zou per 1 januari 2018 een landelijk dekkend plan moeten worden ingevoerd, aldus de brief van de ‘verpakkingscoalitie’.
In de brief van 14 oktober 2015 aan de Tweede Kamer presenteert Mansveld het plan van aanpak van de verpakkingscoalitie. Op 1 januari 2016 zou worden gestart met Schoon Belonen en aan het einde van 2017 zou de pilot worden geëvalueerd. Tijdens het VAO Grondstoffen en Afval op 1 september 2015 is een motie van Kamerleden Yasmin Çegerek en Stientje Van Veldhoven ingediend en uiteindelijk aangenomen. De motie vraagt om “een gedegen opzet van het onderzoek te waarborgen door onder andere te zorgen voor een wetenschappelijk verantwoorde bepaling van het onderzoekskader, een goede nulmeting en adequate monitoring, met een goedkeuringsverklaring van opzet, meetgegevens en conclusies door een onafhankelijke organisatie.” Staatssecretaris Mansveld heeft vervolgens Rijkswaterstaat als onafhankelijke partij gevraagd de nulmeting en de verdere monitoring uit te gaan werken om het effect van de Pilot Schoon Belonen te bepalen.
Zoals afgesproken werd eind 2017 de evaluatie van de pilot Schoon Belonen door Rijkswaterstaat opgeleverd. Samen met de brief van 28 november 2017 stuurde staatssecretaris Stientje van Veldhoven het betreffende rapport “Monitoringsrapportage Pilot Schoon Belonen” naar de Tweede Kamer.
De kern van de evaluatie betreft de vraag of de Pilot Schoon Belonen heeft geleid tot minder flesjes en blikjes in het zwerfafval bij de participerende gemeenten. Daarvoor werden in mei 2016 (meting 1) en september 2016 (meting 2) nulmetingen uitgevoerd naar aantallen flesjes en blikjes in het zwerfafval. In mei 2017 (meting 1) en september 2017 (meting 2) werd wederom gemeten wat het aantal flesjes en blikjes is in het zwerfafval bij de deelnemende gemeenten aan de pilot. Door de resultaten uit 2017 te vergelijken met 2016 zou worden geëvalueerd wat het effect is van de pilot.
Voor meting 1 werd in 2017 een lichte stijging van flesjes en blikjes waargenomen. Voor meting 2 was er een daling van 19% PET-flesjes en 36% blikjes in het zwerfafval. Op basis van meting 1 lijkt er dus geen positief effect te zijn, maar op basis van meting 2 lijkt de pilot wel een significant positief effect op te leveren. Rijkswaterstaat heeft de resultaten vervolgens vergeleken met de bredere nationale monitoring, dus ook met de gebieden waar de pilot niet werd uitgevoerd. Daaruit bleek dat er in de periode van meting 1 over het hele land 2 tot 3% meer flesjes en blikjes werden gevonden. In de periode van meting 2 werd voor zowel flesjes als blikjes een afname van 36% waargenomen. Door de resultaten van de pilot te vergelijken met de landelijke resultaten, bleek dat er geen breed significant positief effect van de pilot werd waargenomen. Enkel in de directe omgeving van deelnemende scholen en verenigingen (zeer beperkt aandeel van het gemeentelijk oppervlak) kon een positief effect op het zwerfafval worden vastgesteld (zie tabel 5.6 van de monitoringsrapportage).
Hoewel de resultaten van de Pilot Schoon Belonen amper een positief effect laten zien op het zwerfafval, stellen de initiatiefnemers in de brief van 17 november 2018 gericht aan staatssecretaris dat de pilot dat de resultaten van de pilot aanknopingspunten geven
om elementen van Schoon Belonen onderdeel te maken van de brede landelijke aanpak van zwerfafval. Schoon Belonen zou namelijk wel een positief effect hebben op maatschappelijke betrokkenheid.
Staatssecretaris Dijksma gaf in 2017 al aan dat prijsprikkels niet onbesproken kunnen blijven om die doelstelling van 90% minder plastic flessen in het milieu in 3 jaar tijd te halen. De studie van CE Delft naar de kosten en effecten van statiegeld liet zien dat statiegeld kan helpen om de doelstelling te halen. De evaluatie naar Schoon Belonen laat zien dat dit ‘alternatief voor statiegeld’ een minimaal effect heeft op het zwerfafval.
In 2012 maakte voormalig staatssecretaris Joop Atsma (CDA) de afspraak met het bedrijfsleven dat statiegeld op grote flessen zou mogen worden afgeschaft, mits aan zeven voorwaarden voldaan zou worden. Die voorwaarden zijn vastgelegd in de Raamovereenkomst Verpakkingen. In 2015 concludeerde zijn opvolger Wilma Mansveld dat het bedrijfsleven niet was geslaagd in de voorwaarde om PVC-verpakkingen te verwijderen uit de supermarkten, waarmee statiegeld definitief niet werd vrijgegeven.

Sindsdien is de steun voor uitbreiding van statiegeld gegroeid. De 55.000 handtekeningen die de Plastic Soup Surfer verzamelde zijn daar een teken van. Ook enquêtes die onder de Nederlandse bevolking worden gehouden laten zien dat het draagvlak zeer groot is en groeit.
De steun voor statiegeld blijkt ook uit de groei van de Statiegeldalliantie. 21 Nederlandse en Vlaamse organisaties en gemeenten lanceerden op 27 november 2017 samen het initiatief dat oproept om in beide regio’s statiegeld op plastic flesjes en blikjes in te voeren.
Op 10 januari was dat aantal gegroeid naar meer dan 100 en op 17 juli waren in totaal 751 Nederlandse en Vlaamse organisaties en gemeenten aangesloten bij de Statiegeldalliantie. Daaronder valt maar liefst 86% van de Nederlandse gemeenten (328 in totaal). Naast gemeenten, bestaat de alliantie onder meer uit bedrijven en bedrijvenfederaties, milieuorganisaties, boerenorganisaties en consumentenorganisaties.
Staatssecretaris Stientje van Veldhoven informeerde de Tweede Kamer op 10 maart 2018 via een brief over de invoering van statiegeld en de aanpak van plastic flessen in het zwerfafval. In de brief reageert staatssecretaris Van Veldhoven “verheugd dat gemeenten en maatschappelijke organisaties met Schoon Belonen door willen gaan.” Ze concludeert echter ook “dat de resultaten van de pilot Schoon Belonen op zichzelf niet voldoende zijn om volledig uitvoering te kunnen geven aan de petitiemotie.”

In overeenstemming met het verpakkende bedrijfsleven heeft Van Veldhoven besloten een tweesporenbeleid te voeren. Allereerst heeft ze overeenstemming “bereikt over een recyclingdoelstelling voor kleine plastic flessen van 90% en een reductiedoelstelling voor kleine plastic flessen in het zwerfafval van 70-90%.” In de brief geeft de staatssecretaris aan daarmee te voldoen aan het doel van de petitiemotie (90% minder zwerfvuil in 3 jaar tijd).
Daarnaast heeft de staatssecretaris met het verpakkende bedrijfsleven afgesproken de introductie voor te bereiden van statiegeld op kleine plastic frisdrank- en waterflessen tot één liter voor het geval in het najaar van 2020 zou blijken dat de zwerfafval- en recyclingdoelstellingen niet zijn gerealiseerd. In het voorjaar van 2021 zou het statiegeld op die flessen dan effectief van toepassing moeten zijn, aldus de brief. Sappen en zuivel in plastic flessen – volgens CE Delft goed voor 150 miljoen van de 900 miljoen kleine plastic flessen in totaal – worden uitgezonderd.
De brief geeft aan dat de recyclingdoelstelling van 90% voor kleine plastic flessen wordt opgenomen in het Besluit beheer verpakkingen 2014. In het najaar van 2020 wordt getoetst of het afgesproken recyclingpercentage van 90% is bereikt en of de plastic flessen in het zwerfafval met 70-90% zijn afgenomen.
De staatssecretaris stelt verder dat kleine verkooppunten niet verplicht zullen worden om kleine flessen retour te nemen. De verkoopoppervlakte zal daarbij leidinggevend zijn. Verder heeft de staatssecretaris met het bedrijfsleven “afgesproken dat er een laagdrempelig en kosteneffectief inzamelsysteem komt, waarbij kosten evenredig worden verdeeld en inzamelpunten een vergoeding ontvangen.”
Op 15 maart 2018 vond het Algemeen Overleg Circulaire Economie plaats waarbij Tweede Kamerleden uitgebreid ingingen op de beslissing van de staatssecretaris. Vanwege tijdgebrek werd het overleg op 22 maart voortgezet. Tijdens het Algemeen Overleg Circulaire Economie van 6 september werd wederom gesproken over de plannen rond statiegeld.
De oppositie toonde zich kritisch over de plannen en de kritiek spitste zich toe op vier hoofdpunten, namelijk: 1) het tijdspad rond de invoering van statiegeld op kleine plastic flessen en de voorwaardelijkheid van de beslissing; 2) het verlagen van de doelstelling van het verminderen van plastic flessen in het zwerfafval van 90% naar 70%;
3) het uitblijven van een beslissing over de invoering van statiegeld op blikjes; 4) de onduidelijkheid betreffende de monitoring van het zwerfafval.
Frank Wassenberg (Partij voor de Dieren) verwees tijdens het Algemeen Overleg naar de afspraken die in 2002 zijn gemaakt onder voormalig staatssecretaris Jan Pronk, waarbij het bedrijfsleven beloofde om het aantal blikjes en flesjes in het milieu om 80% terug te dringen in 3 jaar tijd. De doelstellingen werden toen niet gehaald, maar statiegeld werd toch niet ingevoerd. Gijs van Dijk (Partij van de Arbeid) en Suzanne Kröger (GroenLinks) verwezen eveneens naar de gemaakte afspraken onder Pronk en stelden daarbij de vraag waarom het bedrijfsleven opnieuw een kans krijgt. Kröger stelde dat er geen definitief besluit ligt en gaf aan dat er sprake is van uitstel van een beslissing
Van Veldhoven gaf daarop aan dat er direct wordt gestart met het uitwerken van de wetgeving en dat het definitieve besluit nog in deze kabinetsperiode – het najaar van 2020 – valt. Van Veldhoven noemde vervolgens verschillende redenen waarom er geen sprake zou zijn van uitstel. Achtereenvolgens noemde Van Veldhoven de implementatietermijn voor het bedrijfsleven, consultatietermijnen, voorhang in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer en eventueel ook de nahang. Van Veldhoven noemde verder nog de Europese notificatie (3 maanden), de fraudetoets en de administratievelastentoets. De staatssecretaris geeft verder aan dat het haar doel is de behandeling van het wetsvoorstel afgerond te hebben vóór de laatste metingen (van flesjes in het zwerfafval). Volgens Kröger is de lengte van het tijdspad niet overtuigend. Ze vindt tweeëneenhalf jaar voor “het veranderen van enkele wetsartikelen en een ministeriële regeling […] erg overdreven.”
In de brief van 3 juli 2018 aan de Tweede Kamer betreffende de aanpak van kleine plastic flessen in het zwerfafval, schetst Van Veldhoven het tijdpad waarover tijdens het Algemeen Overleg discussie was:
“Het wettelijk traject zal op hoofdlijnen de volgende stappen omvatten:
Gekoppeld aan de vragen over het tijdspad voor de wetgeving, zijn de vragen over de plannen van het bedrijfsleven om de doelstellingen te halen in dezelfde periode. Tijdens het Algemeen Overleg spitste de discussie zich toe op de plannen om flesjes in het zwerfafval te verminderen met 70%.
Volgens Kröger is er op dit moment weinig vertrouwen in “wat het bedrijfsleven doet om zwerfvuil te reduceren. De aanpak die tot nu toe is gebruikt, heeft onvoldoende gedaan.” Ze vroeg zich af wanneer het concrete plan van aanpak er komt, op basis waarvan de staatssecretaris heeft gezegd “het bedrijfsleven nog twee jaar te geven?” Cem Laçin (SP) vroeg hierover eveneens om verduidelijking van de staatssecretaris. Laçin wilde weten wat de plannen zijn, wat de inzet is en welk budget beschikbaar wordt gemaakt. Gijs van Dijk deelde die mening en vroeg aan de Staatssecretaris of zij het plan van aanpak van het bedrijfsleven gaat delen.
Van Veldhoven antwoordde bij het AO dat het bedrijfsleven op hoofdlijnen heeft geschetst waar het ongeveer aan denkt. Van Veldhoven zei dat ze zou vragen om dat in een wat uitgebreider plan van aanpak te zetten, zodat het gedeeld kan worden met de Kamer. In de brief van 3 juli 2018 verwijst de staatssecretaris naar de ‘Aanzet voor de brede aanpak zwerfafval en kleine PET flesjes’ dat Stichting Afvalfonds Verpakkingen heeft geproduceerd.
In de brief van 8 mei 2018, licht het Afvalfonds toe dat het inzet op 4 sporen, namelijk een privaat spoor, een innovatiespoor, een publiek-privaat spoor en een publiek spoor. De brief geeft aan dat 2018 wordt gebruikt om “concrete activiteiten uit te werken en de effecten te testen.” Het Afvalfonds is volgens de brief “committed dit proces voor einde van 2018” af te ronden en het definitieve plan van aanpak aan te bieden. In de brief van 3 juli 2018 stelt van Veldhoven dit plan te zullen aanbieden aan de Kamer wanneer zij het ontvangt.
Tijdens het AO van 6 september reageerde de oppositie op de plannen van het Afvalfonds. Van Dijk vroeg zich af waar die plannen blijven en Laçin merkt op dat de industrie “niet echt voortvarend van start [is] gegaan.” Wassenberg herinnert aan de tactiek van meestribbelen waarbij het bedrijfsleven “op een heel vriendelijke manier” ervoor zorgt dat “alles in stroop verandert, waardoor eigenlijk nauwelijks ontwikkelingen plaatsvinden. Wassenberg haalt aan dat “er […] nog niets [is] gebeurd. Er zijn nog niet eens plannen. Pas tegen het eind van het jaar komen er plannen. Dus het kost alleen maar tijd.” Van Veldhoven reageerde: “vanuit het perspectief van het bedrijfsleven is hun keuze dat het geen statiegeld wordt. Zij hebben er dus alle belang bij om een goed plan neer te leggen.”
Van Dijk kwam ook nog terug op het tijdspad van het wetgevingstraject en vroeg of de staatssecretaris een beeld had van wanneer statiegeld effectief op plastic flesjes zal zitten. Van Veldhoven gaf aan dat in het tweede kwartaal van 2021 (indien het bedrijfsleven niet levert) statiegeld op plastic flesjes zal zitten. Hierbij is ook rekening gehouden met een invoeringstermijn van een half jaar.
Tijdens het AO bleek dat de doelstelling van 70 tot 90 procent minder plastic flessen in het zwerfafval voor verwarring zorgde. Cem Laçin stelde de vraag of het bedrijfsleven voldoet aan de verwachtingen als ze 70% minder plastic flessen in het zwerfafval weet te realiseren. De staatssecretaris schepte duidelijkheid door aan te geven dat het bedrijfsleven de doelstelling haalt bij 70% en niet bij 69,5%.
De kamerbreed aangenomen petitiemotie sprak over 90% minder plastic flessen in 3 jaar tijd. De verlaging van de doelstelling tot 70% leidde tot de nodige discussie. Wassenberg herinnerde aan 16 februari 2017 waarop gezamenlijk werd beloofd de hoeveelheid plastic flesjes in het milieu met 90% terug te dringen en vroeg op welke gronden het percentage was teruggebracht. Kröger stelde dezelfde vraag en vroeg zich daarnaast af of de dopjes van de plastic flessen ook worden meegenomen. Laçin herinnerde eraan dat Van Veldhoven eerder als kamerlid de petitiemotie ook ondertekende en vroeg waarom de staatssecretaris “eigenhandig” aanpast en afzwakt.
Van Veldhoven stelde daarop dat je met statiegeld niet de garantie hebt dat de doelstelling van 90% wel wordt gehaald. De statiegeldstudie van CE Delft, aldus de staatssecretaris, hanteert een bandbreedte van 70 tot 90 procent. Volgens Wassenberg is dat juist reden om méér maatregelen te nemen bovenop statiegeld en niet om de doelstelling aan te passen; als statiegeld onvoldoende blijkt te zijn, dan is flankerend beleid nodig.
Tijdens het AO is niet besproken dat de effectiviteit van het middel statiegeld in belangrijke mate zelf kan worden bepaald. Belangrijke factoren zijn bijvoorbeeld de hoogte van het statiegeld en het aantal inzamelingspunten. In Duitsland waar het statiegeldbedrag relatief hoog ligt, is het inzamelpercentage ook hoger dan in andere landen met statiegeld op plastic flessen en blikjes. De effectiviteit van het middel statiegeld hangt tevens af van de scope ervan. Dranken in blikjes zijn uitgezonderd, maar ook sappen en zuivel (150 miljoen kleine plastic flessen ieder jaar) zijn uitgezonderd. Een onderbouwing voor de beperking van de scope tot frisdranken en water in plastic flessen, ontbreekt vooralsnog.
De beslissing van de staatssecretaris om enkel statiegeld te voorzien voor plastic flesjes en niet voor blikjes, kon op weinig begrip rekenen van de oppositie. Volgens Wassenberg komen er jaarlijks twee keer zoveel blikjes (1,8 miljard) als flesjes (900 miljoen) terecht in het zwerfafval. Wassenberg haalde aan dat de blikjes heel veel dierenleed [veroorzaken] doordat landbouwdieren die blikjes eten met het voer, wat tot inwendige bloedingen en geperforeerde darmen kan leiden.” Zowel qua omvang als qua verwondingen aan dieren is blik een groter probleem, dus daar zou ook statiegeld op moeten komen, aldus Wassenberg.

Kröger en Laçin haalden aan dat enkel statiegeld op plastic flesjes en niet op blikjes kan leiden tot meer blikjes in het zwerfafval. Laçin vroeg of de staatssecretaris van plan is om deze fout te herstellen. Jessica van Eijs (D66) vroeg aan Van Veldhoven hoe voorkomen kan worden dat die verschuiving richting blik plaatsvindt. Carla Dik-Faber (ChristenUnie) verwees eveneens naar de gevolgen van blik voor dieren en noemde dat ook als de reden dat LTO zich heeft aangesloten bij de Statiegeldalliantie. Dik-Faber vroeg aan de staatssecretaris of ze afspraken wilt maken met het bedrijfsleven over het tegengaan van blik in het zwerfafval en of ze wilt “monitoren dat er geen verschuiving plaatsvindt in de productie van flesjes naar blikjes of aluminium flesjes?”
De staatssecretaris antwoordde dat het statiegeld op plastic flesjes inderdaad niet moet leiden tot extra blikafval en gaf aan dat als uit de monitoring van het zwerfafval blijkt dat er een toename is van blikjes in het zwerfafval, dat extra maatregelen met elkaar afgesproken moeten worden. Van Veldhoven verwees tevens naar de petitiemotie die enkel ging over plastic flesjes en dat het voorstel voor statiegeld daarom ook specifiek over plastic flesjes gaat. Wassenberg reageerde daarop nog met de vraag of, als er bij het Voortgezet Algemeen Overleg (VAO) motie komt om ook statiegeld op blikjes te heffen, of daar dan steun voor zal zijn.
Bij het VAO van 3 april 2018 werden verscheidene moties over blik ingediend. Wassenberg,
Kröger, Laçin, Van Brenk en Van Dijk dienden een motie in waarin de regering wordt verzocht “om ook reductiedoelstellingen voor blikjes in het zwerfafval op te stellen.” Wassenberg, Kröger, Laçin en Van Brenk dienden verder nog een een motie in waarin de regering wordt verzocht om zo spoedig mogelijk statiegeld in te voeren op plastic flesjes en metalen blikjes.” De kamerleden Dik-Faber, Van Eijs, Mulder en Ziengs dienden eveneens een motie in over blikjes in het zwerfafval waarin de regering wordt verzocht met het bedrijfsleven en de gemeenten afspraken te maken over een actieplan en reductiepercentage voor blik in 2020, met als doel het aantal blikjes in het zwerfafval te verminderen.
De eerste twee moties van de oppositiepartijen werden verworpen bij de stemming op 10 april. De regeringspartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, maar ook de PVV, stemden tegen. De motie van Dik-Faber, Van Eijs, Mulder en Ziengs werd unaniem aangenomen. In de brief van 3 juli 2018, geeft Van Veldhoven aan dat ze VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen heeft gevraagd een voorstel te doen voor de aanpak van blikjes conform de motie Dik-Faber c.s. die spreekt van een actieplan en reductiepercentage voor blik in 2020. Vooralsnog is er geen actieplan opgesteld of doelstelling geformuleerd.
Bij het AO van 6 september werd opnieuw gesproken over statiegeld op blikjes. Cem Laçin gaf aan dat het was de SP betreft “een grote gemiste kans” is. Chris Stoffer (SGP) haalde aan dat jaarlijks “een paar duizend koeien dood [gaan] doordat ze scherpe stukjes blik binnenkrijgen.” Volgens Stoffer is statiegeld “de enige effectieve methode om dit terug te dringen.” Stoffer herinnerde verder eraan dat de staatssecretaris als reactie op de ‘blikjesmotie’ aan VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen heeft gevraagd een voorstel te doen voor de aanpak van blikjes, en vroeg of dit traject in gang is gezet.
Van Veldhoven reageerde dat de partijen met elkaar in gesprek zijn, waarop Stoffer afvroeg of er statiegeld op blikjes komt wanneer het traject met VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen, geen resultaat oplevert. Van Veldhoven reageerde hierop dat dit niet een logische vervolgstap is omdat de ingediende moties daarover allemaal zijn verworpen.
Het klopt dat de eerder ingediende moties zijn verworpen, mede door D66 en ChristenUnie. Stoffer en Kröger hebben echter een nieuwe motie ingediend waarin de regering wordt opgeroepen “om ook voor blikjes het statiegeld als beleidsmaatregel voor te bereiden voor het geval dat het actieplan van het bedrijfsleven onvoldoende effectief is om blikjes in het zwerfafval aan te pakken.” De motie wordt waarschijnlijk na het congres van D66 op 6 oktober ter stemming gebracht. Op dat congres wordt namelijk ook een motie ingediend door D66-lid Aad Overgaag om zo spoedig mogelijk en uiterlijk 2021 statiegeld op blikjes in te voeren.
Tijdens het AO stelde Laçin dat er geen sluitende tellingen zijn van aantallen flesjes en blikjes in het zwerfafval. Laçin gaf aan dat er in belangrijke gebieden helemaal niet wordt gemonitord. Er is geen nulmeting en er is dus geen nuljaar, aldus Laçin. Het kamerlid gaf aan dat tellingen moeten plaatsvinden in natuurgebieden, op bedrijventerreinen en langs rijkswegen, rivieren, kanalen en havens. Laçin vroeg aan de staatssecretaris hoe de uiteindelijke monitoring eruit gaat zien en hoe vaak de Kamer hierover zal worden ingelicht.

Van Veldhoven verduidelijkte dat er per halfjaar kan worden gerapporteerd en dat Rijkswaterstaat (RWS) die tellingen uitvoert. De staatssecretaris gaf ook aan dat sinds 2015 het tellen van kleine plastic flessen in het zwerfafval wordt uitgevoerd volgens het monitoringsprotocol zwerfafval van Rijkswaterstaat. De staatssecretaris stelde dat er ook gesprekken zijn gevoerd over verbeteringsvoorstellen voor die monitoringsaanpak. RWS heeft geoordeeld dat bepaalde ingebrachte voorstellen een technische aanvulling op de telmethodiek kunnen zijn. De staatssecretaris gaf eveneens aan dat ze binnen een maand
de monitoringsaanpak naar de Kamer hoopte door te kunnen sturen. Tot slot stelde de staatssecretaris dat er ook afspraken over de monitoring zijn gemaakt.
Na het Algemeen Overleg op 15 maart stuurden Recycling Netwerk, Natuur & Milieu, Plastic Soup Foundation en Plastic Soup Surfer Merijn Tinga een gezamenlijke brief naar het ministerie I&W dat hoewel er eerder overleg en correspondentie is geweest, er geen definitieve overeenstemming is bereikt over de monitoringsmethodiek. Tijdens het Algemeen Overleg dat op 22 maart 2018 werd hervat, merkte Tweede-Kamerlid Laçin op dat uit de brief blijkt dat al vier maanden geen overleg geweest over de monitoringssystematiek en dat de milieuorganisaties zich er niet in kunnen vinden en dat er dus geen draagvlak is.
De staatssecretaris reageerde dat “het heel belangrijk dat die monitoringssystematiek onafhankelijk wordt vastgesteld, en dus niet door de ngo’s, niet door het bedrijfsleven en niet door mij.” Rijkswaterstaat is volgens Van Veldhoven de onafhankelijke partij die “bepaalt wat er nodig is om statistisch een betrouwbaar beeld te kunnen geven van wat er speelt.” Ze geeft aan dat er meerdere malen overleg werd gevoerd met de ngo’s en dat ze begreep dat daar toen overeenstemming over was bereikt. Verder worden de metingen door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) gevalideerd. In de brief van 23 mei 2017 stelde Sharon Dijksma dat ze het een vereiste vindt “voor dit proces dat we het eerst met partijen eens worden over de precieze methodiek voor het tellen van de kleine flesjes.”
In de brief van 3 juli 2018 geeft de staatssecretaris aan dat ze op 19 april een eerste bestuurlijk overleg gevoerd heeft met het verpakkende bedrijfsleven (Stichting Afvalfonds Verpakkingen, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Stichting Natuur & Milieu.
In de brief staat dat tijdens het bestuurlijk overleg, RWS een presentatie heeft gegeven over de monitoring van het zwerfafval en van de kleine plastic flessen in het bijzonder. In de brief staat ook dat Stichting Afvalfonds Verpakkingen aan PwC de opdracht geeft om een contra-expertise op de monitoring uit te voeren en dat de partijen aan RWS een schriftelijke reactie zullen sturen op de monitoring. Deze reacties zijn inmiddels gegeven en staan ook in de Memo “Reactie RWS op zienswijzen bij voorstel monitoring kleine plastic flessen in het zwerfafval” van 30 mei 2018.
In de brief van 3 juli 2018 staat dat de VNG en Stichting Natuur & Milieu “de door RWS voorgestelde methodiek te kunnen ondersteunen. Stichting Afvalfonds Verpakkingen heeft diverse kritiekpunten die door RWS zijn beoordeeld en van een antwoord zijn voorzien.”
Tot slot is het de vraag met welk doel Stichting Afvalfonds Verpakkingen de contra-expertise laat uitvoeren en wat de timing daarvan is. De contra-expertise kan potentieel gebruikt worden om het proces zoals bepaald door de staatssecretaris, te delegitimeren.
Over de monitoring van de doelstelling van 70% minder plastic flessen in het milieu is er in de Kamer veel discussie gevoerd. Maar de opvolging van de doelstelling van 90% recycling van plastic flessen werd veel beperkter besproken.

Carla Dik-Faber vroeg tijdens het AO wel aan de staatssecretaris of de 90% recycling-doelstelling hoogwaardige recycling betreft en vroeg daarnaast hoe de monitoring door de ILT wordt vormgegeven. Van Veldhoven antwoordde dat deze doelstelling wordt toegevoegd aan het Besluit Beheer Verpakkingen. Van Veldhoven stelde verder dat het bedrijfsleven jaarlijks rapporteert over het halen van de recyclingdoelstellingen en die rapportages worden gecheckt door de ILT. Ze zei verder dat de methodiek vastgelegd is in een EU-richtlijn en dat het bedrijfsleven die methode hanteert. De ILT valideert of die methode op een goede manier is gehanteerd. Ze stelde tevens dat als het recyclingpercentage niet 90% maar 89,5% is, dat statiegeld dan wordt ingevoerd.
Het antwoord van de staatssecretaris wekt ten onrechte de suggestie dat er al een methode bestaat om het recyclingpercentage van plastic flesjes te bepalen. Er bestaat enkel een gevalideerde methode (die weliswaar tot overschatte recyclingpercentages leidt) voor ingezamelde plastics in brede zin, maar niet voor plastic flesjes.
Er is dus onduidelijkheid over de meetmethode waarmee de doelstelling van 90% recycling van plastic flesjes wordt opgevolgd. Op 29 augustus 2018 stuurde Recycling Netwerk hierover een brief naar staatssecretaris Van Veldhoven.
Op basis van de Europese afvalstoffenrichtlijn wordt jaarlijks vastgesteld hoeveel van de plastic verpakkingen wordt gerecycled. Na het sorteren van het afval in verschillende stromen, wordt gewogen hoeveel plastic is ingezameld voordat het wordt doorgestuurd naar de recycler.
De gescheiden PET-stromen waaronder ook de kleine plastic flessen vallen, komen terecht in twee fracties, namelijk het PET met specificatie DKR 328-1 en de DKR 350 mixfractie. Het is echter onduidelijk hoeveel PET-flesjes in deze fracties zitten. Er zijn geen afspraken gemaakt over hoe het aandeel kleine PET-flessen in deze fracties bepaald moet worden en daarvoor worden tot op heden geen metingen uitgevoerd. Het is dus niet bekend hoeveel van de kleine plastic flesjes worden gerecycled. En de DKR 350 mixfractie wordt laagwaardig gerecyled.
Er is dus nood aan een helder protocol voor het bepalen van een betrouwbaar recyclingpercentage van kleine plastic flessen. In de brief schetst Recycling Netwerk twee complementaire sporen om dat percentage te bepalen:
1) Bepalen aantal flesjes in plastic balen
Een statistisch verantwoord aantal DKR 328-1 balen en DKR 350 mixbalen wordt gecontroleerd op de aanwezige hoeveelheid kleine plastic flesjes als percentage van het totale gewicht van de balen. Met dit percentage kan worden bepaald wat het totale tonnage PET-flesjes is dat wordt gerecycled.
2) Bepalen aantal flesjes in overige stromen
Een deel van de plastic flesjes komt terecht in het restafval van huishoudens, in openbare afvalbakken, in afval van bedrijven en instellingen (bijvoorbeeld kantine-afval) en in het zwerfafval. In opdracht van de Rijkswaterstaat voert Eureco ieder jaar sorteeranalyses uit naar de samenstelling van het huishoudelijk restafval. Met aanvullende analyses van het zwerfafval, het afval in openbare afvalbakken en overige stromen die niet worden gerecycled, kan nauwkeurig worden bepaald hoeveel plastic flesjes niet worden gerecycled.
Verder is het nog de vraag over welke periode het recyclingpercentage wordt bepaald. Het recyclingpercentage van plastic verpakkingen wordt bepaald over een volledig kalenderjaar.
Tenzij er een alternatieve periode wordt gekozen, is 2019 het laatste meetjaar vóór de beslissing over statiegeld in 2020. Dat betekent dan ook dat het protocol voor de bepaling van het recyclingpercentage van kleine plastic flessen al snel zou moeten worden vastgesteld.
Tijdens het AO van 6 september 2018 vroegen Chris Stoffer en Frank Wassenberg naar de meetmethode voor het bepalen van de 90%-recyclingdoelstelling van plastic flesjes. Wassenberg haalde aan dat producten als wasmiddelflessen en zeepflessen eerder zijn meegeteld en het recyclepercentage voor drinkflessen hoger laten lijken. Stoffer haalt aan dat “CE Delft schat dat de hoofdstroom gerecycled plastic voor 90% uit plastic flessen bestaat. En omdat grote petflessen de statiegeldautomaat ingaan, is verondersteld dat die 90% uit kleine plastic flessen bestaat. Op basis daarvan komen ze op een actueel recyclingpercentage van ongeveer 60%.” Stoffer gaf aan dat bij die 90% ook grote niet-statiegeldflessen zitten, wasmiddelenflessen “en ga zo maar door.” Stoffer vroeg of de staatssecretaris op korte termijn gaat uitzoeken “wat het aandeel kleine plastic flessen in de plasticbalen daadwerkelijk is?”
Van Veldhoven reageerde dat wordt uitgezocht hoe dat precies gemonitord kan worden. Ze gaf aan dat “grote petflessen en andere verpakkingen […] daarin niet [worden] meegenomen.” “Het gaat echt om de kleine flesjes, de kleine plastic flesjes”, aldus de staatssecretaris.
Van Veldhoven heeft afgesproken twee keer per jaar een bestuurlijk overleg te voeren met een aantal betrokken partijen. Hoewel verschillende milieuorganisaties eerder betrokken waren bij het formuleren van opmerkingen op de monitoring en het voorzien van commentaar op de statiegeldstudie, is het bestuurlijk overleg beperkt tot drie federaties uit het bedrijfsleven (Stichting Afvalfonds Verpakkingen, FNLI en het CBL), de VNG en Stichting Natuur en Milieu.
In het najaar van 2018 dient de conceptregelgeving inclusief onderbouwing te worden opgeleverd. Het is verder afwachten wanneer VNG en Stichting Afvalfonds Verpakkingen het plan van aanpak en de reductiedoelstelling voor 2020 voor de vermindering van blikjes in het zwerfafval, presenteren aan de staatssecretaris.
Van Veldhoven heeft toegezegd dat in het najaar van 2020 een beslissing over statiegeld genomen wordt en dat bij een positieve beslissing in het voorjaar van 2021 het statiegeld effectief van toepassing is op kleine plastic flessen. Op 17 maart 2021 zijn er landelijke verkiezingen. Het moment van beslissing en invoering zit dus zeer dicht op de wisseling van de politiek, wat een potentieel risico inhoudt voor zowel de beslissing als de implementatie.
Rob Buurman
Directeur Recycling Netwerk
rob.buurman@recyclingnetwerk.org
Dat zegt milieuorganisatie Recycling Netwerk in reactie op het onderzoek van 11 afvalintercommunales en de stad Antwerpen naar de werkelijke recyclagecijfers. Het onderzoek stelt vast dat slechts 50 procent van plastic flessen en flacons wordt gerecycleerd – terwijl Fost Plus al jaren beweert dat het om meer dan 80 procent gaat. Van de plastic flessen zou volgens Fost Plus zelfs 87,7% worden gerecycleerd.
Zie ook het live debat in het Vlaams parlement op woensdag 3 oktober na 15.30 op https://www.vlaamsparlement.be/plenaire-vergaderingen/1274143#video
De manier waarop Fost Plus rekent, ligt al langer onder vuur. Milieuorganisatie Recycling Netwerk voerde in juni 2018 een fact check uit op de Fost Plus-recyclagecijfers. Onze conclusie was dat maximaal maximaal 62,2 tot 66,3% wordt gerecycleerd, en het werkelijke recyclagecijfer wel eens lager zou kunnen liggen.
Het empirisch onderzoek van Recover, een samenwerking tussen 11 afvalintercommunales en de Stad Antwerpen, bevestigt deze bevindingen nu. Slechts de helft wordt gerecycleerd, stelt Recover vast. Bovendien worden die gerecycleerde flessen niet gebruikt om nieuwe flessen van te maken, maar belanden ze in isolatiemateriaal en fleecetruien. Die niet worden gerecycleerd, maar op de afvalberg of als plastic soep in zee belanden.
Het werkelijke recyclagecijfer van plastic flessen in Vlaanderen is dus 50 procent. Dit cijfer staat in schril contrast met de 96 tot 98% die Duitsland met een statiegeldsysteem haalt. In Litouwen, waar ze slechts twee jaar geleden een statiegeldsysteem introduceerden halen ze nu al 91,9% procent recycling van plastic flessen. Nu we de werkelijke Vlaamse recyclagegraad kennen, wordt meteen duidelijk hoeveel meer milieuwinst kan gehaald worden door het statiegeld in Vlaanderen uit te breiden van bierflesjes tot alle plastic flessen.
Zo kunnen we naar een circulaire economie gaan: een plastic fles wordt gerecycleerd tot een nieuwe plastic fles. Dat is een hoogwaardige toepassing, die de milieuvervuiling door plastic echt aanpakt. Met de geplande uitbreiding van de blauwe zak lijkt juist het tegenovergestelde te gebeuren. In de blauwe zak worden meer andere soorten plastics gezamenlijk ingezameld. Daardoor raken de plastic flessen meer vervuild en kunnen ze moeilijker hoogwaardig worden gerecycleerd.
Met het Recover-onderzoek is nu ook definitief vastgesteld dat de recyclagecijfers van Fost Plus geen correcte, maar fake cijfers zijn. Dat is een probleem omdat de regering vertrouwt op die cijfers. De zelfrapportage van de industrie via Fost Plus was de enige leidraad voor alle plannen tot dusver.
“Meten is weten. Als de Vlaamse regering een ernstig afvalbeleid wil ontwikkelen, moet ze snel zelf de metingen van de recyclage in handen nemen. Zolang de overheid zelf geen objectieve data heeft, en afgaat op de zelfrapportage van de industrie via Fost Plus, zullen alle doelstellingen – ook die van het “verpakkingsplan” dat de regering voor de zomer besliste – volledig op los zand gebouwd zijn”, besluit Recycling Netwerk.
Zie ook: Het Nieuwsblad, Amper de helft van de plastic flessen en flacons wordt gerecycleerd (en dat is helaas niet het enige probleem), 3 oktober 2018