Kunststof afvalinzameling in 2010 zal doelstelling bij lange na niet hebben gehaald

verbindt milieuorganisaties rond grondstoffen en afval

Kunststof afvalinzameling in 2010 zal doelstelling bij lange na niet hebben gehaald

5 januari 2011 Nieuws 0

De resultaten van de Benchmark kunststof-inzameling laten lang op zich wachten, hetzelfde gold voor de rapportages over de inzamelingsresultaten in 2008 en 2009 en ongetwijfeld zal het zelfde gelden voor de rapportage over de resultaten in 2010. Op basis van de karige gegevens die Nedvang publiekelijk heeft willen delen trekken wij alvast onze voorlopige conclusies, als “buest guess”.
Onze conclusie: de totale inzameling in heel Nederland zal over 2010 niet verder komen dan een 80 tot 85 kton, waarmee de landelijke doelstelling bij lange na niet zal zijn gehaald.
Uitgaande van een recyclingspercentage van 50 à 70, betekent dit immers dat maximaal zo’n 60 kton zal worden gerecycled. Dit is minder dan de helft van de te behalen doelstelling voor dit deel van de totale kunststof-afvalstroom.

Op 11 november vond het jaarlijkse gemeentelijk afvalcongres plaats van de VNG en NVRD.
PWC hield hier een presentatie over de resultaten van het door hen uitgevoerde evaluatie- en monitoringsonderzoek naar de praktijk-resultaten van kunststofinzameling.
Dit onderzoek, waarvan de start al in december 2009 plaatsvond, zou volgens de oorspronkelijke planning eind augustus worden afgerond. Het concept rapport zou al in juni worden opgesteld.
Echter, op 11 november konden nog geen eindresultaten worden gepresenteerd en zelfs geen concept-rapport (de eindrapportage is verschoven naar 2011).


Niet alleen de timing en voortgang van het benchmark-onderzoek roepen vragen op. Ook de gepresenteerde inzamelingsresultaten op de bijeenkomst van 11 november doen dat.
Hoewel het onderzoek andere vraagstellingen dient, valt er voor wat betreft de gepresenteerde inzamelingsresultaten toch wel e.e.a. mee te doen. Ons inziens blijkt opnieuw, dat Nedvang zeer waarschijnlijk bij lange na niet aan de inzamel- en recyclingsdoelstelling zal hebben voldaan over het jaar 2010. Wij rekenen het hier aan u voor.
Op het congres presenteerde PWC resultaten die aangaven dat de gemeenten met Diftar gemiddeld ongeveer 25 kg ophaalden in 2009. Dit komt neer op bijna 44% van de in 2010 gerealiseerde maximale opbrengst van ongeveer 58 kg (in Millingen a/d Rijn is 47,9 kg opgehaald t/m oktober 2010; in 2009 werd daar 38 kg ingezameld).
En de gemeenten zonder Diftar haalden bijna 9 kg op gemiddeld per huishouden, dat is dus ongeveer 15% van de maximale opbrengst van 2010.
Alleen deze percentages al illustreren, dat 38% recycling over 2010 geen haalbare kaart zal zijn, maar dat terzijde.
Deze resultaten lijken op het eerste oog niet eens zo slecht, zeker van de Diftar-gemeenten. De inzamelrespons van die gemeenten ligt immers boven de cijfers van het buest guess-scenario na 3 jaar uit de Nedvang/KplusV-studie.
Deze indruk verandert bij nadere beschouwing in het tegendeel. Laten we eens kijken naar de representativiteit van deze cijfers voor het jaar 2009. Dit mede gezien de cijfers die Nedvang in september heeft gepresenteerd over 2009.
In het Benchmark-onderzoek zijn 18 onbekende Diftar-gemeenten opgenomen en 37 eveneens onbekende Niet-Diftar-gemeenten. Wanneer dit representatieve gemeenten zijn (en in principe heeft PWC daar binnen de uitgangspunten van de steekproef naar gestreefd) dan vertegenwoordigen deze Diftar-gemeenten in totaal circa 210.000 huishoudens en de Niet-Diftar-gemeenten 1.050.000 (op basis van de gemiddelde grootte van Diftar- resp. Niet-Diftar-gemeenten, zoals vermeld in dit rapport van Agentschap.nl).
De totale opbrengst van alle huishoudens die in het Benchmark-onderzoek zijn meegenomen over 2009 zou dan namelijk maar liefst 15 kton bedragen en de gemiddelde opbrengst per huishouden 11,8 kg.
Nedvang rapporteerde in september, dat over heel 2009 een hoeveelheid van 23 kton is ingezameld.
Combineren we deze beide gegevens, dan blijkt dat het onderzoek dus nadrukkelijk níet als representatief kan worden beschouwd voor heel 2009, wanneer 55 van de in totaal 441 (12,5 %) gemeenten (in 2009) tweederde deel (65%) produceren van de totale hoeveelheid landelijk ingezameld kunststof afval.
Wij kunnen dan ook gevoeglijk concluderen dat:
– òf de gemeenten die in het onderzoek hebben deelgenomen zijn veel kleiner dan gemiddeld,
– òf men heeft voor het onderzoek die gemeenten uitgezocht die de beste resultaten hadden – wat niet onlogisch is gezien de voorwaarde in het onderzoek, dat enkel gemeenten in de steekproef worden betrokken die zijn gestart met inzamelen voor week 37,
– òf (nog waarschijnlijker:) allebei is aan de orde.
Wat daarnaast met zekerheid ook veelvuldig is gebeurd, is dat de resultaten die in het rapport worden gepresenteerd de facto helemaal niet betrekking hebben op “heel 2009” maar enkel op de laatste maanden van 2009 en dat deze zijn geëxtrapoleerd.
PWC merkt in de presentatie van 11 november op (sheet 11), dat in situaties waar gemeenten hun inzamelsysteem lopende het jaar hebben opgeschaald en deze wijziging minstens 3 maanden duurde, is uitgegaan van de situatie na de laatste wijziging….
PWC meldde verder niet, hoe vaak dit aan de orde is geweest, maar het kan niet anders dan dat dit bij een groot aantal gemeenten die in het onderzoek zijn betrokken, het geval is geweest.
Dit alles voedt onze veronderstelling, dat de gepresenteerde inzamelingsresultaten van de benchmark een heel aardige indicatie zullen vormen voor de inzamelingsresultaten van 2010 voor heel Nederland…
Het is zeer waarschijnlijk dat de gewogen gemiddelde opbrengst over alle gemeenten waar met “beleidsintensiteit” inzameling plaatsvindt, in 2010 uit zal komen op 12 à 13 kg.
In de resterende gemeenten (van in totaal ruim 1,5 mln. huishoudens), waar nascheiding wordt toegepast of waar inzameling niet (Rotterdam) of relatief “extensief” (Den Haag, Amsterdam, in mindere mate ook Utrecht) plaatsvindt zullen de opbrengsten per huishouden nog aanmerkelijk lager liggen.
De totale inzameling in heel Nederland zal daardoor over 2010 niet verder komen dan een 80 tot 85 kton, waarmee de landelijke doelstelling bij lange na niet zal zijn gehaald.
Uitgaande van een recyclingspercentage van 50 à 70, betekent dit immers dat maximaal zo’n 60 kton zal worden gerecycled.

Dit is minder dan de helft van de te behalen doelstelling voor dit deel van de totale kunststof-afvalstroom.
Wij hebben berekend in onze rapportage ‘De kunststofinzameling doorgelicht’- Opbrengst en perspectief in de steden’ van maart 2010, dat een doelstelling van 38 % recycling op een totaal van 794 kton kunststof verpakkingsafval van huishoudens en bedrijven, impliceert dat 134 kton kunststof verpakkingsafval uit huishoudens zou moeten worden gerecycleerd (naast 26 kton statiegeldflessen). Dit alles ook nog eens onder de voor Nedvang gunstige aanname, dat het kunststof verpakkingsafval afkomstig van bedrijven voor 71% zou worden gerecycleerd – hetgeen -zoals ook blijkt uit het rapport van de VROM-inspectie van maart 2010, dat recent naar de Tweede Kamer is verzonden en vandaag aanleiding gaf voor berichtgeving op de voorpagina van Trouw– twijfelachtig is.
Dit is dan ook onze voorlopige “buest guess” voor de inzamelingsresultaten van 2010. Een inschatting die overigens wonderwel spoort met het en passant door Nedvang naar buiten gebrachte cijfer van 62 kton, dat tot en met september 2010 zou zijn ingezameld (zie de allerlaatste regel van het document).
De presentatie van PWC is eigenlijk niet bedoeld voor de analyse en berekening zoals wij die nu maken. Het is er evenwel wèl voor bruikbaar. Bij het ontbreken van meer transparantie moeten we het hiermee vooralsnog doen.
Enkele vragen bij de gepresenteerde inzamelingsresultaten die aan de orde zijn en voor onze berekening relevant, maar die gelet op de aard van de studie van PWC wellicht minder essentieel en daarom niet benoemd zijn, zijn bijvoorbeeld:
– hoe representatief zijn de in het onderzoek betrokken gemeenten nu? Daar valt toch wel iets meer over te zeggen?
– Of de gepresenteerde getallen inclusief of exclusief verontreiniging zijn. Wat een 15 % tot 20% verschil uitmaakt.
– Of er afval afkomstig van bedrijven in de door gemeenten aangeleverde cijfers kan zijn meegenomen of dat hiervoor is gecorrigeerd. Veel gemeentelijke diensten nemen immers ook het afval in van kleine bedrijven. Ook dit kan zo een 10 tot 20% verschil uitmaken.
– Of er in het benchmark-onderzoek in het geheel geen gegevens meer zijn verwerkt van na 1 januari 2010.
Maar eigenlijk doen de antwoorden op deze vragen niet eens zoveel ter zake.
Circa 60 kton als verwacht maximaal recyclingresultaat over 2010, waar 134 kton is benodigd: zelfs als het 10% meer is, is de doelstelling nog maar voor de helft gerealiseerd.